bedriegen

werkw.
Uitspraak:  [bəˈdrixə(n)]
Vervoegingen:  bedroog (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft bedrogen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

opzettelijk oneerlijk tegen iemand zijn
Voorbeelden:  `Ze liegen en bedriegen.`,
`optische illusies bedriegen je ogen`
mijn geheugen bedriegt me  (ik vergis me)
bedrogen uitkomen  (erg teleurgesteld zijn)
je partner bedriegen  (in het geheim een relatie met een ander hebben)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afzetten bedonderen beduvelen belazeren besodemieteren horlogezakje misleiden neppen oplichten smiespelen spieken zwendelen

Spreekwoorden en zegswijzen
• iemand met open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
Naar de spreekwoorden

5 definities op Encyclo
  1. misleiden Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
  2. niet eerlijk zijn vb: ik vertrouw hem nooit meer, hij heeft mij bedrogen bedrogen uitkomen [ergens in teleurgesteld worden]
  3. [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Bedriegen``] Eene flank, eene verbindingslijn des vijands B. Zie Demonstratie
  4. •iemand met kwade opzet in de waan brengen.
  5. 1) Aannaaien 2) Afzetten 3) Bedonderen 4) Bedotten 5) Bedrog plegen 6) Beduvelen 7) Beethebben 8) Beetnemen 9) Begoochelen 10) Belazeren 11) Beliegen 12) Benadelen 13) Be...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bedriegen (misleiden)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `bedriegen` kennen.