Ia de Griek

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [grik]
Verbuigingen:  Griek|en (meerv.)

Ib de Griek|se

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  [grik|sə]
Verbuigingen:  Griekse|n (meerv.)

iemand met de Griekse nationaliteit


II de Griek

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [xrik]
Verbuigingen:  griek|en (meerv.)

restaurant met Griekse gerechten
Voorbeeld:  `We gaan vanavond bij de Griek eten.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
Helleen

Spreekwoorden en zegswijzen
• dat was Grieks voor hem (=dat begreep hij niet)
Naar de spreekwoorden

4 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), [figuurlijk] een oude -, schalk; een regte -, wonderlijk mensch, rare snaak. ~SCH, [bijvoegelijk naamwoord] -e spreekwijze, h...
  2. • [demoniem] een inwoner van Griekenland, of iemand afkomstig uit Griekenland. •een Grieks restaurant.
  3. Een vuil en oud schip waarbij je (als loods of douanier) op alles voorbereid moet zijn.
  4. 1) Bewoner van Hellas 2) Bewoner van Zuid-Europa 3) Bijbelse figuur 4) Europeaan 5) Helleen 6) Inwoner van europa 7) Inwoner van griekenland
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met Griek:
GriekenGriekinGrieksGrieks-orthodoxGriekse

Deze woorden eindigen op Griek:
fenegriek

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. griek (grasnerf)
  2. griek (scheldwoord)