Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


78 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `wie`

  1. aan de zwier zijn (=uitgaan, drinken)
  2. alleen een piepend wiel krijgt olie. (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht.)
  3. de rokende vlaswiek niet uitblussen (=de ijverigheid niet doven)
  4. een spaak in het wiel steken (=door iemands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
  5. ere wie ere toekomt (=iemand die de eer verdient moet die ook krijgen)
  6. ergens voor in de wieg gelegd zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
  7. geen oud wijf bleef aan het spinnewiel (=iedereen kwam kijken)
  8. het vijfde rad/wiel aan de wagen (=totaal overbodig, ongewenst)
  9. het wiel opnieuw uitvinden (=dubbel werk doen.)
  10. het wierookvat zwaaien (=lof toezwaaien)
  11. iemand in de wielen rijden (=iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat)
  12. iets in de wieg smoren (=iets van bij het begin vernietigen)
  13. in zijn wiek geschoten zijn (=zich beledigd voelen)
  14. niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
  15. op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)
  16. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  17. van de wieg tot aan het graf (=van de geboorte tot aan de dood)
  18. wie ’s nacht gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  19. wie a zegt moet ook b zeggen. (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken.)
  20. wie aan de weg timmert heeft veel bekijks. (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
  21. wie appelen vaart, die appelen eet. (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.)
  22. wie bang leeft, gaat ook bang dood. (=je gaat zoals je geleefd hebt)
  23. wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)
  24. wie dan leeft, wie dan zorgt. (=geen zorgen maken over de toekomst.)
  25. wie de naam heeft, krijgt de daad. (=wie bekend staat als misdadiger, krijgt de schuld)
  26. wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor de hoge heren.)
  27. wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
  28. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden.)
  29. wie een kluitje heeft heeft er graag een turfje bij (=ieder probeert zijn bezittingen te vermeerderen)
  30. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  31. wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
  32. wie eens steelt is altijd een dief. (=als iemand ooit heeft gestolen zal die altijd blijven stelen)
  33. wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt, krijgt het beste)
  34. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  35. wie goed doet, goed ontmoet. (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
  36. wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
  37. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest. (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan.)
  38. wie het eerst komt, het eerst maalt. (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)
  39. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. (=je moet waardering hebben voor het geringe.)
  40. wie het laatst lacht, lacht het best (=pas aan het einde kan je zien we gewonnen heeft)
  41. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
  42. wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor overhebben)
  43. wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  44. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
  45. wie in het schuitje zit moet meevaren. (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
  46. wie kaatst kan/moet de bal verwachten. (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  47. wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
  48. wie maaien wil moet zaaien (=je moet er iets voor doen om iets te verkrijgen)
  49. wie met honden omgaat, krijgt vlooien. (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over.)
  50. wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)

73 betekenissen bevatten `wie`

  1. in de nood leert men zijn vrienden kennen (=als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is)
  2. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  3. wiens brood men eet diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  4. een gladde aal (=een gewiekst persoon (moeilijk te vangen))
  5. man en paard noemen (=eerlijk zeggen wie het is)
  6. het warm water (her)uitvinden (=iets wat reeds lang bekend is, presenteren alsof het een originele innovatie is. (Niet verwarren met `het wiel opnieuw uitvinden`))
  7. men moet straten voor stegen kennen (=men moet weten tot wie men zich wendt)
  8. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  9. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren. (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  10. de fiets aan de haak hangen. (=stoppen met wielrennen.)
  11. waar niets is verliest de keizer zijn recht (=van wie niets heeft, kan men niets vorderen)
  12. haantje de voorste (=voortrekker - wie altijd op het voorplan wil staan)
  13. de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is teruggevonden)
  14. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  15. zijn pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)
  16. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
  17. wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
  18. wie de naam heeft, krijgt de daad. (=wie bekend staat als misdadiger, krijgt de schuld)
  19. die niet werkt, zal niet eten. (=wie bewust niet wil werken heeft geen recht op geld)
  20. de brutalen hebben de halve wereld. (=wie brutaal is krijgt doorgaans meer dan dat diegene recht op heeft)
  21. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  22. wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten. (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen.)
  23. de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  24. die eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt krijgt het beste)
  25. eerst in de boot keur van de riemen (=wie eerst komt, kan eerst kiezen)
  26. wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt, krijgt het beste)
  27. holle vaten bommen/klinken het hardst. (=wie er het minste verstand van heeft, verkondigt het luidst zijn mening)
  28. wie in het schuitje zit moet meevaren. (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
  29. wie niet sterk is moet slim zijn. (=wie geen macht of invloed heeft moet zijn slimheid gebruiken om je doel te behalen)
  30. wie niet waagt, wie niet wint (=wie geen risico neemt, die wint niets)
  31. de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  32. wie goed doet, goed ontmoet. (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
  33. het eerste gewin is kattegespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
  34. die aan de weg timmert heeft veel bekijks (=wie iets in het publiek doet, krijgt veel commentaar)
  35. wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor overhebben)
  36. adel verplicht. (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen.)
  37. wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken. (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen.)
  38. wie met honden omgaat, krijgt vlooien. (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over.)
  39. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  40. het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  41. het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  42. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  43. wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
  44. wie niet horen wil, moet voelen. (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
  45. wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
  46. ongenode gasten zet men achter de deur (=wie niet welkom is, laat men niet binnen of laat men zo lang mogelijk wachten)
  47. wie niet werkt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  48. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  49. die niet waagt, die niet wint (=wie nooit een risico neemt kan ook niet iets bereiken)
  50. vieze varkens worden niet vet. (=wie overal vies van is, zal niet veel te eten krijgen.)

Het dialectenwoordenboek kent 340 spreekwoorden met `wie`

  1. Fries: It hawe òw wiebrandts heu (=Op zijn wiebrands)
  2. Texels: Olle tiêde hèèwwe weer tiêde (=wie dan leeft, wie dan zorgt)
  3. Hoekschewaards: zit niet zo te jakken (=zit niet zo te wiebelen/woelen)
  4. Slands: Vul wije (=Onkruid wieden)
  5. Steins: wied en zied (=Heinde en verre)
  6. Genneps: Den kop ien de wie.nd smiete (=Dwars worden)
  7. Sint-Niklaas: wiebelen (=met het lichaam heen en weer bewegen)
  8. Steins: dat ligk wied oet de slaag (=dat is ver uit de buurt)
  9. Westerkwartiers: da's wied en zied bekend (=dat weet men in de wijde omtrek)
  10. Sallands: he-j 't zo wied? (=ben je klaar)
  11. Westerkwartiers: wied op 'e tied (=héél vroeg)
  12. Westerkwartiers: wied op e tied (=veel te vroeg)
  13. Sittards: wied is riek (=Wat van ver komt, is lekker)
  14. Flakkees: me gaen nog en aeventschoofje wieje (=we gaan vanavond nog een paar uur wieden)
  15. Gronings: de appel vaalt nooit wied van de boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  16. Bildts: 't Is niet an e gevel te sien, wie't 't huus beweunt (=Je kunt iemand niet op zijn buitenkant beoordelen)
  17. Kerkraads: De eppel valle nit wied van d'r boom. (=De appels vallen niet ver van de boom.)
  18. Genneps: Iets wied van zich af smiete (=Het ergens helemaal niet mee eens zijn)
  19. Poperings: we zien wieder (=wij zijn)
  20. Genneps: wie, wie, pastoors Merie (=Irritatie op wie-vrraag)
  21. Texels: Fan wie bàjje der ien? (=wie is je vader? wie is je familie?)
  22. Dinthers: wie hi da gezeet (=wie heeft dat gezegd)
  23. Maas en waals: van wie is hij/zij dur inne? (=wie is dat?)
  24. Westlands: wie benne hunnie daaro? (=wie zijn dat daar?)
  25. Alblasserdams: wie buite binne binne buite, en wie binne binne binne binne. (=wie buiten is, is buiten, en wie binnen is, is binnen.)
  26. Oudenbosch: zijde gijut ? (=wie is daar ?)
  27. Bevers: Dewiezewasda (=Van wie was dat?)
  28. Bilzers: wie klinder wie dapper, wie grütter wie slapper (=klein maar dapper !)
  29. Dongens: wie, Jan Lère Gatspie en dan witte nog nie wie (=wie bedoel je)
  30. Tilburgs: nèffe wie zâate gè (=naast wie zat jij)
  31. Noorderkempisch: Van wie zijde gai jeentje (=wie zijn jou ouders)
  32. Herentals: zie 's wie daa is (=ziet eens wie daar is)
  33. Hulshouts: wie zare ga (=wie ben jij)
  34. Westlands: wie benne da? (=wie zijn dat?)
  35. Limburgs: der aan wie verkes willem (=er aan wie varkens willem)
  36. Heusdens: wie zennich (=wie denk je dat ik ben)
  37. Kerkdriels: van wie zijde gij d'r ene? (=wie zijn jouw ouders?)
  38. Oudenbosch: kweenie wie amme kent (=ik weet niet wie mij kent)
  39. Tilburgs: wie maag dè pènneke ötschèère (=wie mag dat pannetje leegschrapen)
  40. Giethoorns: Die gist niet wieder dan da-j em euren (=Veel geschreeuw en weinig wol-Weet niet veel)
  41. Oudenbosch: wieme daor emme (=kijk nou wie daar aankomt)
  42. Roermonds: godweit, godwèt (=misschien, wie weet)
  43. Brakels: of woarn't de keuning (=om het even wie)
  44. Sint-Niklaas: wiezen otto is da? (=van wie is die auto?)
  45. Hulsters (NL): op kosten vant stèrfuis? (=wie gaat dat betalen?)
  46. Bilzers: Wae sjrif dae blif (=wie schrijft die blijft)
  47. Zichers: Hey, kievela! (=wie we daar hebben!)
  48. drents: woei deest leist ister gesnaat (=wie dit leest is gek)
  49. Fries: Wa ûntduts Amearika? (=wie heeft amerika ontdekt?)
  50. Bilzers: dae kan ich nie tausbringe (=wie is dat ?)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen