111 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `wie`
- aan de zwier zijn (=uitgaan, drinken)
- alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
- de rokende vlaswiek niet uitblussen (=de ijverigheid niet doven)
- een spaak in het wiel steken (=door iemands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
- een stok in het wiel steken (=iets of iemand tegenwerken)
- elk heeft genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
- er voor in de wieg gelegd zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
- ere wie ere toekomt (=iemand die de eer verdient moet die ook krijgen)
- geen oud wijf bleef aan het spinnewiel (=iedereen kwam kijken)
- het geluk vliegt; wie het vangt die heeft het. (=geluk kan zo maar komen en zo weer gaan)
- het slechtste wiel van de wagen kraakt meest. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
- het vijfde rad/wiel aan de wagen (=totaal overbodig, ongewenst)
- het wiel opnieuw uitvinden (=dubbel werk doen)
- het wierookvat zwaaien (=lof toezwaaien)
- hij geeft niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=overal voordeel uit halen, ongeacht gevolgen voor anderen)
- iemand in de wielen rijden (=iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat)
- iets in de wieg smoren (=iets van bij het begin vernietigen)
- in zijn wiek geschoten zijn (=zich beledigd voelen)
- niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
- op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)
- paard in de wieg, kind in de wei (=uitdrukking van ongeloof gebruikt als iemand erg overdrijft. )
- uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
- van de wieg tot aan het graf (=van de geboorte tot aan de dood)
- wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
- wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
- wie aan de weg timmert heeft veel bekijks (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
- wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
- wie bang leeft, gaat ook bang dood (=je gaat zoals je geleefd hebt)
- wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)
- wie dan leeft die dan zorgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
- wie dan leeft, wie dan zorgt (=geen zorgen maken over de toekomst)
- wie de naam heeft, krijgt de daad (=wie bekend staat als misdadiger, krijgt de schuld)
- wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor de hoge heren)
- wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
- wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
- wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
- wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
- wie een kluitje heeft, heeft er graag een turfje bij (=ieder probeert zijn bezittingen te vermeerderen)
- wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
- wie een paard uit de wei wil halen, moet het beest niet eerst met het halster tegen de kop slaan. (=je bereikt meer met vriendelijkheid, dan met strengheid)
- wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
- wie een zin begint met ik is een grote stommerik. (=ik aan het begin van een zin is niet zoals het hoort)
- wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt krijgt het beste)
- wie eten wil moet de kok niet beledigen. (=hou je meerdere te vriend.)
- wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
- wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
- wie gekheid zaait zal dwaasheid oogsten. (=als je ongebruikelijke dingen doet krijg je ook ongebruikelijke resultaten)
- wie goed doet, goed ontmoet (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
- wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
- wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
73 betekenissen bevatten `wie`
- wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
- uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
- het warm water (her)uitvinden (=iets wat reeds lang bekend is, presenteren alsof het een originele innovatie is. (Niet verwarren met `het wiel opnieuw uitvinden`))
- ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zich wendt)
- de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
- om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
- de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
- waar niets is verliest de keizer zijn recht (=van wie niets heeft, kan men niets vorderen)
- haantje de voorste (=voortrekker - wie altijd op het voorplan wil staan)
- de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is teruggevonden)
- weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
- je pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)
- een vogel die te vroeg zingt, wordt `s avonds van de kat gegeten. (=wie al te jong naar genot streeft, gaat te gronde.)
- wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
- wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
- die wel doet, wel ontmoet. (=wie anderen goed behandelt, kan zelf goede behandeling verwachten.)
- wie de naam heeft, krijgt de daad (=wie bekend staat als misdadiger, krijgt de schuld)
- het paard moet tot de kribbe komen. (=wie belang heeft bij een zaak moet er zelf op uit gaan)
- wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
- wie liegt bedriegt. (=wie een leugen vertelt doet ook andere dingen die niet mogen)
- wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen)
- de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
- wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt krijgt het beste)
- eerst in de boot keur van de riemen (=wie eerst komt, kan eerst kiezen)
- holle vaten bommen/klinken het hardst (=wie er het minste verstand van heeft, verkondigt het luidst zijn mening)
- wie in het schuitje zit moet meevaren (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
- wie niet sterk is moet slim zijn (=wie geen macht of invloed heeft moet zijn slimheid gebruiken om je doel te behalen)
- wie niet waagt, wie niet wint (=wie geen risico neemt, die wint niets)
- de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
- wie goed doet, goed ontmoet (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
- het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
- wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor over hebben)
- adel verplicht (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen)
- wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
- wie met honden omgaat, krijgt vlooien (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over)
- het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
- het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
- het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
- wie wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
- wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
- wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
- wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
- ongenode gasten zet men achter de deur (=wie niet welkom is, laat men niet binnen of laat men zo lang mogelijk wachten)
- wie niet werkt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
- liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
- vieze varkens worden niet vet (=wie overal vies van is, zal niet veel te eten krijgen)
- in het veen kijkt/ziet men niet op een turfje (=wie rijk is let niet op een euro meer of minder)
- geduld is een schone zaak (=wie rustig afwacht wordt beloond)
- wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)
- wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
50 dialectgezegden bevatten `wie`
- 'n moel wie 'n scheurport, wie 'n schöp (=grote mond opzetten) (Weerts)
- 'ne kop wie 'ne riethamer (=een dik hoofd (kater)) (Mestreechs)
- 'ne kop wie ein ziej / zeef höbbe (=Vergeetachtig zijn) (Steins)
- 'ne kop wie eine ríéthamer höbbe (=flinke hoofdpijn, of drukkend gevoel in het hoofd) (Steins)
- 's naachts 'n kirrel, 's mörng's 'n kirrel (=wie 's nachts feestviert, moet 's ochtends niet zeuren) (Westerkwartiers)
- 't e no (g) ne skooën'n, ge zijt no (g) ne skooën'n gij! (=afkeuren wie niet meer meedoet (laf gedrag) ) (Waregems)
- 't gieët wie snuf (=als het gemakkelijk gaat) (Weerts)
- 't gijt om 't spel, niet om 'e knikkers (=het gaat er niet om wie wint, het gaat om de gezelligheid) (Westerkwartiers)
- 't is ne strongt wie hee maaj geschete (=hij heeft een groot gedacht van zichzelf) (Turnhouts)
- 't klópt wie 'ne sjwaerende vinger. (WT) (=Het (geldbedrag) klopt precies) (Mechels (NL))
- 't Lèste himme hèt geen maole (=wie sterft moet alles achterlaten) (Bilzers)
- 't meer is ok nooit vol (=wie veel heeft wil er nog meer bij) (Westerkwartiers)
- ' n gezich wie ein sliepbös höbbe (=erg ongezond uitzien) (Steins)
- ' t meer is nooit vol (=wie al veel heeft wil nog meer) (Westerkwartiers)
- a joean van wie bin jie een joean (=jongen) (Zeeuws)
- A-j botter op 'n kop hebt, mu-j nich in de zunne loop'n (=wie geen zuiver geweten heeft, kan zich beter koest houden) (Twents)
- A-j jokte em-m moei-j kraben (=wie jeuk heeft die moet krabben /) (Giethoorns)
- A-j over de hond koemen, koem ie ook over de start (=wie A zegt, moet ook B zeggen) (Giethoorns)
- A-j over de hond koemen,koem ie ook over de start (=wie A zegt moet ook B zeggen) (Giethoorns)
- a'j kniene hebt, he'j ok köttels (=wie ergens de lusten van heeft, heeft er ook de lasten van) (Twents)
- aan d'n êrreme gegaeve, es God gelieëndj (=wie iets geeft, wordt beloond) (Weerts)
- Addet wit, meudet zegge (=wie het weet, mag het zeggen..) (Brabants )
- ae/zae ee(d) ier een bitjen oar boven zèen/eur uuëgen (=je snapt waarschijnlijk niet wie ik bedoel) (Wichels)
- agge over d n duvel praot traptum op z ne steert (=binnenkomend iemand over wie men net aan het praten was) (Oudenbosch)
- aktie vragt om reaktie (=wie kaatst kan de bal verwachten) (Westerkwartiers)
- alle boom'm vang'n wiend (=wie je ook bent, elk krijgt wel eens tegenslag) (Westerkwartiers)
- Altiêd beej- ein wie Sint Teunis met 't vèrke (=Twee onafscheidelijke vrienden) (Weerts)
- an wie lig het (kaartspel) (=wie heeft er tot nu de hoogste kaart gelegd) (Waregems)
- aoën wae sjilt niks (=wie is volmaakt) (Munsterbilzen - Minsters)
- As ge goit, kriedum vaneiges terug in ou gezeecht (=wie de bal kaatst, kan de bal terug verwachten) (brabants)
- As ge ne neuze hét, keude rieken (=wie het schoentje past, trekt het aan) (Lokers)
- As ge slaopt de ge lacht, dan ben de mergevruug blij (=wie lachend slaapt, is de volgende morgen ook blij) (Brabants)
- as ich wis dat ich zo valle, dan hoch ich mich al ieêdër daol gelaag (=wie alles van te voren weet, kan sneller handelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- as ie oe bek ewm hoalt, dan kunt wie normaal kuieren. (=als jij je mond even houdt, kunnen wij normaal overleggen.) (Twents)
- As Timo no noflik wie, wie hy dan ek leuk? (=als timo nou leuk is is ie dan leuk?) (Fries)
- aske liegt, gouje nor d’élle (=wie liegt gaat naar de hel) (Meers)
- aste alles van teviëre wis, worste allang sjatrijk (=wie alles zou weten, was schatrijk) (Bilzers)
- aste blaajfs finkële, geeste nog ës zën haan verbranne (=wie met vuur speelt, zal zich eraan verbranden) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste hinne wilts hage, moeste de stront terbij pakke (=wie initiatief neemt, moet er de gevolgen van ook kunnen dragen) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste mét den (h) ond slûps kraajste ook zen vlaaj (=pas op met wie je verkeert) (Bilzers)
- aste mèt den hond slieps krijgs te z'n vlie. (=wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.) (Genker)
- aste mèt viër spiëls, konste dich verbranne (=wie het gevaar bemint, zal er in vergaan) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste mèt zen twei viet opte grond blifs, gerokste geen paut vüraut (=wie niet waagt, blijft maagd) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste nau en dan ès trëg kieks op ze laeve, laefste twei kër (=wie van herinneringen kan genieten, leef meerdere keren) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste nie gees wërke, konste strak op zën kin kloppe (=wie niet werkt, niets eet) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste nie lijsters, moessêt mér besnite (=wie niet hoort, moet maar voelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste nie wils leistere, moesset mèr besniete (=wie niet wil luisteren, moet het maar voelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste van terdievel kals, zieste zene stat (=wie we daar hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste van tërdievel kals, zieste zënë stat (=wie we daar hebben (we hadden het juist nog over u) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste van vieër zits, konste van aater nie aofvalle (=wie zich vooraan houdt, heeft meer kans op slagen) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen