Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `wacht`

  1. daar is wel wachten maar geen vasten naar (=dat zal niet gauw gebeuren)
  2. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  3. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  4. geen heil verwachten (=niets positiefs zien)
  5. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  6. iets in de wacht slepen (=op oneerlijke manier verkrijgen, iets in bezit krijgen voor weinig geld)
  7. iets van de achterwacht vernemen (=iets vernemen na veel omwegen)
  8. in de wacht slepen (=winnen - verwerven)
  9. wachten tot je een ons weegt (=onmogelijk lang wachten)
  10. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  11. zo scheel als de hondenwacht (=zeer scheel)

68 betekenissen bevatten `wacht`

  1. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen)
  2. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
  3. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  4. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  5. de bom is gebarsten (=de (verwachte) problemen zijn begonnen)
  6. uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  7. zich achter de oren krabben (=door een onverwachte, zorgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
  8. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  9. een tegenslag (=een onverwacht nadelig feit of voorval)
  10. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  11. Nood doet zelfs oude vrouwen rennen (=Een onverwachte situatie kan verrassende kwaliteiten naar boven brengen (vergelijkbaar met `angst geeft vleugels`))
  12. 'm knijpen (=erg zenuwachtig zijn)
  13. ergens muziek in zitten (=ergen veel van kunnen verwachten en/of plezier van beleven)
  14. schitteren door afwezigheid (=ergens niet aanwezig zijn, terwijl je komst wel verwacht werd)
  15. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  16. ergens geen hoge pet van op hebben (=geen hoge verwachting hebben van iets)
  17. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  18. het uitzingen (=het einde ervan afwachten, het volhouden)
  19. je weet nooit hoe een koe een haas vangt (=het kan altijd nog op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  20. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  21. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit)
  22. hij droomt van schol hij eet graag platvis (=hij verwacht te veel)
  23. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kennen)
  24. voor het blok zetten (=iemand onverwacht in een lastige positie brengen; bijvoorbeeld iemand dwingen te reageren die dat eigenlijk niet wil, of iemand dwingen een keuze te maken.<>)
  25. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  26. nog niet jarig zijn (=iets ongunstigs te verwachten hebben)
  27. ik ben geen uithangbord (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan)
  28. aan het vinkentouw zitten (=in spanning iets afwachten en graag door willen)
  29. gezegende omstandigheden (=in verwachting)
  30. de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  31. tegemoet zien (=kunnen verwachten)
  32. overstag gaan (=na aandringen/lang er mee wachten toegeven)
  33. zijn naam eer aandoen (=naar behoren uitvoeren, precies doen wat men verwacht)
  34. de boot afhouden (=niet meedoen - afwachten)
  35. is Saul onder de profeten? (=niet verwachten dat iemand er ook aanwezig is)
  36. nog te bezien staan (=nog af te wachten zijn)
  37. de zaak nog eens aankijken (=nog even afwachten)
  38. voor de boeg hebben (=nog voor zich hebben, te wachten staan)
  39. op het vinkentouw zitten (=ongeduldig afwachten om iets te pakken te krijgen)
  40. op hete/gloeiende kolen zitten (=ongeduldig wachten / veel haast of spanning hebben)
  41. in een slechte huid (=ongezond - iets ongunstigs verwachtend)
  42. in een slecht vel steken (=ongezond zijn - iets ongunstigs te verwachten hebben)
  43. wachten tot je een ons weegt (=onmogelijk lang wachten)
  44. komen als een dief in de nacht (=onverwacht komen)
  45. ex abrupto (=onverwachts)
  46. een gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden (=op gekke of onverwachte vragen weet men meestal het antwoord niet)
  47. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  48. het op de heupen hebben (=slecht gehumeurd, op geestdriftige wijze iets doen, zenuwachtig, verstoord zijn)
  49. uit vuile lepels eten (=staat U te wachten als het slecht afloopt)
  50. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)

Het dialectenwoordenboek kent 45 spreekwoorden met `wacht`

  1. Rous (Sint-Genesius-Rode): vaaf meneute vè brussel (=even wachter aub)
  2. Westerkwartiers: d'r stijt ons wat te wacht'n (=er staat ons wat te wachten)
  3. Roermonds: doe kins wachte toet belaoke paose (=je kan wachten tot sint juttemis)
  4. Gronings: Kist wachtn (=Heb je tijd)
  5. Westerkwartiers: dat kenn'n zij niet wacht'n (=daar hebben zij geen tijd voor)
  6. Westerkwartiers: kenst eev'm wacht'n ? (=heb je even tijd ?)
  7. Gents: zijn lief weunt in wachtebeke (=iemand die aan geen lief geraakt)
  8. Valkenswaards: wocht us efkes (=even wachten)
  9. Munsterbilzen - Minsters: poeël haage (=blijven wachten)
  10. Rotterdams: delfs blauwe benen krijgen (=wachten)
  11. Munsterbilzen - Minsters: iemes lotte sjildere (=iemand lang laten wachten)
  12. Sint-Niklaas: novunnant (=ongeveer; het is af te wachten)
  13. Westerkwartiers: wat hangt ons boov'm de kop ? (=wat staat ons te wachten ?)
  14. Munsterbilzen - Minsters: asset èn zene kop höbs, höbset nie èn zen K. (=niet kunnen wachten)
  15. Sint-Niklaas: wurtel schieten (=lang moeten wachten)
  16. Hals: op hiete stiene zitten (=niet kunnen wachten)
  17. Nunspeets: Kom mar bie Bart in de rieje (=op je beurt wachten)
  18. Weerts: Loatj mer koome wi-j ut keumptj (=We wachten rustig af)
  19. Deinzes: Wach' ke vijve. (=wacht eens even)
  20. Tongers: waag oere toer oaf (=wacht uw beurt af)
  21. Bilzers: mekan wottel sjiete (=te lang moeten wachten)
  22. Liemers: Dah vrit gin brood (=Dat kan wachten)
  23. Munsterbilzen - Minsters: ston te sjildere (=lang moeten wachten)
  24. Westerkwartiers: hij holt 'n slag om 'e aarm (=hij wacht voorzichtig af)
  25. Sint-Niklaas: 't is te zien oe da zèn muts stot (=het is af te wachten of hij goed gezind is)
  26. Wetters: een eze (=een geboorte die langer dan 9 maanden op zich laat wachten)
  27. Sint-Niklaas: we zimmen nog nie on de nief petetjes (=er staat ons nog wat te wachten)
  28. Rotterdams: 't mos groeit tusse m'n benen (=ik sta hier al heel lang te wachten)
  29. Munsterbilzen - Minsters: wo steet mich nog ammel vër de dieër (=wat staat me nog allemaal te wachten)
  30. Herns (Herne, VL-B): Menutjen é pieken (=wacht eens even)
  31. Bilzers: doë konste nie onderaut (=dat staat je hoe dan ook te wachten)
  32. Opglabbeeks: doa hinkt oes noeg get buve de kop (=er staat ons nog wat te wachten)
  33. Arendonks: hai stah doar scheuwen te schildereh (=hij wacht op zijn lief)
  34. Budels: huddig vur de fiehn, want de groof dundig neet. (=wacht u voor fijnpraters)
  35. Sint-Niklaas: ei springt erop gullèk nun bok op doaverkist (= haverkist) (=hij kan niet langer wachten om te beginnen eten)
  36. Munsterbilzen - Minsters: 'tès ammel get,zaag Bet, en ze hoch twei jing on één T. (=het is beter op iemand dan op niemand te moeten wachten)
  37. Bosch: wah ge in oew kupke hed, hedde nie in oew kuntje (=Een idee hebben en niet kunnen wachten om het ten uitvoer te brengen.)
  38. Texels: eerst gròòte mense, dan hangòòre (=kleine kinderen moeten op hun beurt wachten)
  39. Ninoofs: a zitj op de zille van de veerdeer (=nog een week wachten en het is aan ons)
  40. Antwerps: 't woater stoat al in men oëge (=gezegde wanneer men niet langer kan wachten voor een toiletbezoek)
  41. Westerkwartiers: één de wacht aanzegg'n (=iemand zeggen waar het op staat)
  42. Westerkwartiers: ik ken 't niet wacht'n (=ik heb geen tijd)
  43. West-Vlaams: je lat der gin gras over groein (=je wacht er niet mee)
  44. Achterhoeks: Kunnen wachten (=Er tijd voor hebben)
  45. Bilzers: De wilstech nog joenk vürdoen aste al aad bés, mér dan ésset viël te laot (=wacht niet tot later met wat je nu nog kan doen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen