Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vrij`

  1. gedachten zijn tolvrij (=iedereen mag vrij denken wat diegene wil)
  2. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  3. Iemand de vrije teugel laten. (=Iemand zijn eigen gang laten gaan)
  4. Liever vrij en geen eten dan een volle buik aan een ijzeren keten. (=Vrijheid is een hoger goed dan materiële welvaart.)
  5. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  6. van vreemde smetten vrij (=onafhankelijk, bevrijd)
  7. vragen staat/is vrij (=iedereen heeft de gelegenheid om vragen te stellen)
  8. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)

16 betekenissen bevatten `vrij`

  1. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Als de vrijster achter haar geliefde aanloopt, wil zij te graag trouwen)
  2. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  3. aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
  4. vaatje zuur bier (=een oude vrijster)
  5. een vaatje zuur bier (=een oude vrijster)
  6. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Huwbare meisjes moeten niet achter de vrijer aanlopen.)
  7. gedachten zijn tolvrij (=iedereen mag vrij denken wat diegene wil)
  8. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  9. iemand kort houden (=iemand niet veel bewegingsvrijheid geven (fig.))
  10. met spek vangt men muizen (=met veel vrijgevigheid kan men iedereen overhalen)
  11. op zijn lauweren rusten (=niets doen en genieten van de vrije tijd)
  12. van vreemde smetten vrij (=onafhankelijk, bevrijd)
  13. de berg heeft een muis gebaard (=ondanks de grote beloften is er vrijwel niets van terecht gekomen)
  14. Liever vrij en geen eten dan een volle buik aan een ijzeren keten. (=vrijheid is een hoger goed dan materiële welvaart.)
  15. het juk afschudden/afwerpen (=zich vrijmaken)
  16. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)

Het dialectenwoordenboek kent 43 spreekwoorden met `vrij`

  1. Brakels: broek verbrand'n (=afscheidsfeest van vrijgezellen bestaan)
  2. Tilburgs: hij schèt nie vur half elf (=hij is niet vrijgevig)
  3. Tilburgs: Swoensdagsaoves is ut rêepaovend (=op woensdagavond is het vrijavond)
  4. Oudenbosch: ijis op legerte (=hij is op vrijersvoeten)
  5. Westerkwartiers: geld zocht geld (=rijke vrijers zoeken elkaar)
  6. Veurns: è franke bette zien (=een vrijposte vrouw zijn)
  7. Staphorsts: doar zit gien vrouwluuvleis an (=een verstokte vrijgezel)
  8. Zottegems: ze za opgoan veur tuutseszoad (=zij zal vrijgezel blijven)
  9. Lebbeeks: boezjie: De boezjie vastagen (=Voor spek en bonen bij een vrijend stel zijn)
  10. Munsterbilzen - Minsters: tès plezanter te vraaje onder zene werktijd, dan te würke onder zene vraaje tijd (=vrijen is plezanter onder het werk, dan werken onder zijn vrije tijd)
  11. Dongens: bremme langs 't knaol (=vrijen in de natuur)
  12. Sint-Niklaas: tvrijdags de vrijdag (=op vrijdag)
  13. Deinzes: vrijde? (=Ben jij in een relatie?)
  14. Brakels: ij za opgon veur zoat (=hij zal eeuwig vrijgezel blijven)
  15. Westfries: Hai heb 't niet an z'n geefklier (=Hij is niet vrijgevig)
  16. Twents: goaj met brommers kieken (=gaan we vrijen)
  17. Hendrik-Ido-Ambachts: zadelsnuffelen (=in het fietsenhok vrijen)
  18. Bilzers: vrijfteg és dür zen hoeër (=je haren hangen er verwilderd bij)
  19. Sint-Niklaas: zis gô wandelen mè euren bink (vreir (=ze is gaan wandelen met haar vrijer)
  20. Munsterbilzen - Minsters: dûr et raud lich autvaore (=vrijen ondanks de maandstonden)
  21. Westfries: wie vroit die sloit (=van vrijen wordt je mager)
  22. Waarschoots: azeu billen en no nie willen (=zo een mooi meisje, maar nog altijd vrijgezel)
  23. Westerkwartiers: scheuvel'n op natuuries (=schaatsen in de vrije natuur)
  24. Achterhoeks: noa een oavund brekken en zoepen ,kuj mooi op de proeme kroepen (=na een gezellige avond lekker vrijen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: zene gank mauge gon (=de vrijheid krijgen)
  26. Evergems: Vryn dat thoaar deur zijn mutse komt. (=De pannen van het dak vrijen.)
  27. Zuuns: korrozzje onder de sozzje (moed, courage onder de deken) (=doe het goed bij het vrijen)
  28. Lichtervelds: we goan jint garièèl oeddn (=we zullen je vrijheid beperken)
  29. Lebbeeks: vrouijen: Dei zaa mé ne paul vrouijen (=Die zou met eender wie vrijen)
  30. Bildts: maandeg, dinsdeg, woensdeg, donderdeg, frijdeg, saterdeg, sundeg (=maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag zaterdag, zondag)
  31. Fries: t feest kin beginne (=er zijn op vrijdag 2 naakte meiden)
  32. Diesters: tes braa kou (=het is vrij koud)
  33. Bilzers: los en lieber (=vrij en ongehinderd)
  34. Evergems: E zit weer op meulners. (=Hij is veel vermagerd omdat hij een nieuwe vriendin heeft en hij veel gaat vrijen.)
  35. tervurens: in een aa kassuul mokte de beste soep (soms voegt men daaraan toe) 'mo t moot gebuire mei e joenk wuitelke ! (=vrijen met een oudere vrouw is top)
  36. Munsterbilzen - Minsters: aste da nie geleefs, maok ich tich get aanester wijs (=geloof me vrij !)
  37. Oudenbosch: tis vandaog gewoon werkedag (=we zijn vandaag niet vrij)
  38. Veurns: etwoar è gatje vieng'n (=ergens een vrij moment vinden)
  39. Westerkwartiers: ze liet'n 'em op börgtocht loop'm (=hij kwam op borgtocht vrij)
  40. Brakels: kgee mij vrij (=ik ben nieuwsgierig)
  41. Oudenbosch: die van de klei vrije nie mee die van ut zaant (en aandersom ok nie) (=boeren uit de polder mengen niet met zandboeren)
  42. Oudenbosch: vrije is zachies praote en aart liege (=bij je meisje in een goed blaadje willen komen te staan)
  43. Gents: vragen es vrij en ' t refuseeren staat er bij (=uw kans wagen bij een meisje)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen