Spreekwoorden met `tok`

Zoek

30 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tok`

  1. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  2. alle gekheid op een stokje (=maar nu liever ernstig)
  3. allemans neus is geen kapstok. (=je moet niet alles aan iedereen vertellen.)
  4. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)
  5. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  6. doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  7. droge stokvis (=een houterig iemand)
  8. een stok achter de deur (=een dreigement om iets gedaan te krijgen)
  9. een stok in de lenden leggen (=slaan)
  10. een stok in het wiel steken (=iets of iemand tegenwerken)
  11. een stok vinden om de hond te slaan (=om maar iemand te kunnen bekritiseren een nadelig punt vinden)
  12. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  13. er een stokje voor steken (=iets verhinderen)
  14. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden))
  15. het aan de stok hebben (=ruzie hebben)
  16. het met iemand aan de stok hebben/krijgen (=ruzie met elkaar hebben/krijgen)
  17. het varken is door de buik gestoken (=de zaak is vooraf bedisseld)
  18. iedereen wat van de stokvis (=eerlijk delen)
  19. iets op zijn kerfstok hebben (=verkeerde dingen gedaan hebben)
  20. je maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=in moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  21. je zult stokvis eten. (=je krijgt slaag.)
  22. met de kippen op stok gaan (=vroeg naar bed gaan)
  23. met een opgestoken zeil (=driftig, boos)
  24. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  25. op je stokpaardje zitten (=over je lievelingsthema spreken)
  26. stok en steen verwend (=heel erg verwend)
  27. van de kapittelstok likken (=ervan lusten)
  28. van zijn stokje gaan (=flauwvallen)
  29. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  30. zo mager als een stokvis, sprot, garnaal (=mager persoon)

5 betekenissen bevatten `tok`

  1. in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
  2. de lont in het kruit werpen (=mensen laten loskomen, opstoken)
  3. zo doof als een kanon (=stokdoof)
  4. zo doof als een kwartel (=stokdoof)
  5. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden))

Eén dialectgezegde bevat `tok`

  1. iech tok diech op d'n pupse (=ik sla je op je ogen) (Mestreechs)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen