39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `och`
- boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
- daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
- dat raakt kant noch wal (=dat is geen zinnig argument)
- de aftocht blazen (=vertrekken als de situatie bedreigend of te moeilijk wordt)
- de bocht achter/onder de arm houden (=extra voorzichtig zijn, iets nog niet garanderen. (een bocht houden in het touw dat je laat vieren))
- de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
- door de bocht gaan (=toegeven)
- een bocht nemen (=van gedachten veranderen)
- er aan bekocht zijn (=een slechte koop doen)
- er heet noch koud van worden (=zich nergens iets van aantrekken)
- er heg noch steg weten (=ergens de weg niet kennen)
- er is met hem te eggen noch te ploegen (=er is met hem niets aan te vangen)
- er is reuk noch smaak aan (=het is weinig waard, het is niet interessant)
- er part noch deel aan hebben (=er niets van weten of niet aan deelgenomen hebben)
- god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
- heg noch steg weten (=ergens de omgeving totaal niet kennen)
- het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
- je in allerlei bochten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te geraken)
- kant noch wal raken (=totale onzin zijn)
- kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
- klagers hebben geen nood en pochers hebben geen brood (=zowel klagers als pochers kunnen de zaken nogal eens overdrijven)
- kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld: `De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
- kruis noch munt hebben (=geen geld hebben)
- kruit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
- men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
- mossel noch vis (=noch het een noch het ander - goed noch slecht)
- rust noch duur hebben (=erg onrustig zijn)
- sap noch kracht hebben (=totaal geen waarde hebben)
- slot noch zin (=geen touw aan vast te knopen)
- taal noch teken van iemand vernemen (=niets van iemand horen/zien)
- van god noch zijn gebod weten (=slechte dingen durven doen)
- van pomp noch pompstang weten (=erg dom zijn, weinig weten)
- van tijd noch uur weten (=hoegenaamd niet weten hoe laat het is - altijd te laat komen)
- van toeten noch blazen weten (=van iets geen verstand hebben)
- vis noch vlees (=het is niet bruikbaar, omdat het niet duidelijk is)
- vlees noch vis (=het is niet bruikbaar, omdat het niet duidelijk is)
- weten van kikken noch mikken (=nergens van weten)
- zin noch wit hebben (=buiten jezelf zijn van woede)
- zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
32 betekenissen bevatten `och`
- hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
- morgen brengen (=dat geloof je toch zelf niet! dat doe ik beslist niet!)
- dat sluit als een haspel in een zak (=dat raakt kant noch wal)
- het bloed kruipt waar het niet gaan kan (=de aard verloochent zich nooit)
- het verloren schaap (zijn) (=de gezochte (zijn))
- alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doen om iets toch te bereiken)
- het krieken van de dag/dageraad (=de vroege ochtend)
- belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
- ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
- de bocht achter/onder de arm houden (=extra voorzichtig zijn, iets nog niet garanderen. (een bocht houden in het touw dat je laat vieren))
- het is volle bak (=het is helemaal uitverkocht; er zijn heel veel mensen)
- haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht zien)
- dat is koren op zijn molen (=hij zal dat meteen gebruiken als argument voor wat hij toch al wilde)
- een schurftig paard vreest de roskam (=iemand die aan iets schuldig is, heeft liever niet dat datgeen onderzocht wordt)
- gekke Henkie (=iemand die niets in de gaten heeft (bv. `Je denkt toch niet dat ik gekke Henkie ben ?`))
- uitstel van executie (=iets onaangenaams wordt tijdelijk uitgesteld Later gaat dit toch nog gebeuren)
- iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
- een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
- krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
- mossel noch vis (=noch het een noch het ander - goed noch slecht)
- eraan moeten geloven (=of iemand wil of niet, het moet toch gebeuren)
- tegen de verdrukking in groeien (=ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen)
- onder de hamer komen (=op een veiling verkocht worden)
- een kat komt altijd weer op zijn poten terecht. (=uiteindelijk komt het toch weer in orde.)
- spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangrijke zaken)
- kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld: `De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
- niets dan lege briefjes hebben in te brengen (=voorstellen waarvan je vooraf al weet dat deze toch niet bekeken worden)
- de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
- wat van apen komt wil luizen (wat van katten komt wil muizen) (=zijn afkomst kan men niet verloochenen)
- geen geld, geen Zwitsers (=zonder geld krijg je hulp noch koopwaar of er is altijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen)
- boerenverstand (=zonder scholing toch slim zijn)
- klagers hebben geen nood en pochers hebben geen brood (=zowel klagers als pochers kunnen de zaken nogal eens overdrijven)
50 dialectgezegden bevatten `och`
- a ieere ui marij (=och Here) (Lokers)
- achèrm (=och arme) (Bredaas)
- agmegotje! (=och hemel!) (`t-Heikes)
- as 'ne boer 'n hin slacht, ès de boer zik och de hin. (=als de boer zijn hen slacht...) (Genker)
- Broed liene, da's sjaoi och sjaan. (=Brood lenen, is schade als een groter werd weergegeven, schande als men een kleiner weergaf.) (Genker)
- Dae kiet d'r gilles óch neet vól. (WT) (=Gulzigaard) (Mechels (NL))
- dat hat dae och va ginne vraeme (=iemand die hetzelfde doet als zijn vader of moeder) (Sjeeter plat)
- dè es och deur de sloewsters gesleuid (=die is er ook op achteruit gegaan) (Tiens)
- dè git och tigen oawe boksezolder / ... tegen ow zjat (=dat gaat helemaal niet) (Overpelts)
- Dea hat óch neet d'r vaogel aafgeschoate (=Hij is ook niet de slimste) (Mechels (NL))
- dee is och né vàn zen ieëste luige gebòste (S*) (=iemand die overdrijft) (Sintrùins)
- Deeje / Dei es och nih onder een doei hin uitgebruud! (=HIj / Zij is zeker niet dom!) (Herks)
- Doe bis óch wied van d'r sjlaag af. (WT) (=Jij bent ook ver van huis!) (Mechels (NL))
- En vuugd óch èh! (=En gedraag u een beetje!) (Zolders)
- Enne? Óch enne! (WT) (=Hoe gaat het met je ja, goed! en met jou) (Mechels (NL))
- ge wit wèl: dinges, òch kom, hoe hietie naa ok awir (=je weet wel, kom, hoe heet hij ook alweer) (Tilburgs)
- haft och maer geried (=het zal gaan stuiven) (Neerlinters)
- hei zee de champetter tigge de voerman, kom er es aaf da ich er och opzet (=hier zei de veldwachter tegen de boer, kom er eens af dat ik er U op zet) (Heusdens)
- hij viendt dat och zo lekker (=hij vindt dat o zo heerlijk) (Westerkwartiers)
- ich hauw van och (=ik hou van u) (Neerpelts)
- Ich hem et och nog gezèèt (=Ik heb het je nochtans gezegd) (Overpelts)
- Ich hemmet och nog zoewe gezeed (=Ik heb het u nog zo gezegd) (Overpelts)
- ich huf och onder aowe boksezolder (=ik zal je eens...) (Overpelts)
- ich loat och in perdell (=ik laat u in de steek) (Lummens)
- ich lut och in perdel (=ik laat u stikken) (Lummens)
- ich och oech (=ik jou ook) (Overpelts)
- Ich zen voets, och een schuppes (=Ik ben weg) (Diesters)
- Loeës hoonder laege och wel ins in de nieëtele. (WT) (=Slimme mensen maken ook wel eens een fout) (Mechels (NL))
- lut och nie doeën! (=laat niet op je kop zitten) (Heusdens)
- Löt óch niks op oer mouw spelle (=Laat u niet wijsmaken) (Stals)
- o hiddn (=och heden) (Doornspijks)
- och deh (=oh, dat wist ik nog niet) (Renkums)
- och dun oedel (=als iets niet gaat zoals het moet.) (Venloos)
- och eirme, och got (=och arme) (Sint-Niklaas)
- òch gaowèg, dè gelêûft gin meens! (=ach nee toch, dat gelooft niemand!) (Tilburgs)
- och gè. (=Dat kan ik moelijk geloven.) (Zolders)
- och GEI STOMME STOEBBE (=AAN VROUW DIE HET NIET GOED BEGRIJPT) (Zomergems)
- och gèrm, kom mar hier, dé'k oe opraap! (=kind valt en huilt, moeder zegt:) (Helmonds)
- och gij mee oewen bèk vol sèp! (=Kijk naar je eigen) (Bosch)
- och gjère toch (=maar mens toch) (Kortrijks)
- och gôt toch hin (=och ben je mal) (Cuijks)
- och gottekes toch (=och arme) (Antwerps)
- och hère menère, me tèèn doe zèr (=och meneer, mijn teen doet pijn) (Ostêns)
- och joeng, gank voert ! (=dat meen je niet !) (Munsterbilzen - Minsters)
- och jong, trek ut dich nit zoe aa! (=Ach joh, trek het je niet zo aan!) (Eys)
- och toch, gank voert ! (=meen je dat nu) (Munsterbilzen - Minsters)
- och wasat! (=ach wat zou het) (Lommels)
- och zee löp mien nog niks in de waege. (=Hou je nog van je vrouw) (achterhoeks)
- och-erum (=och toch, och arme) (Ossies)
- ochij marij, en uur op de pot, in nog gien ei (=och arme...) (Urkers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen