Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


361 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `men`

  1. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt. (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest.)
  2. aan beurt komen (=aan werk geraken)
  3. aan de bak komen. (=aan de beurt komen; een baan krijgen.)
  4. aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
  5. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen. (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico's)
  6. aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  7. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  8. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden.)
  9. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  10. aan zijn gerief komen (=vinden wat men nodig heeft (inz. sex. behoeften))
  11. aan zijn trekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  12. achter de schermen (=daar waar men het niet ziet)
  13. achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
  14. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  15. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  16. al doende leert men. (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet. )
  17. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  18. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen. (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk.)
  19. als het getij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  20. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  21. als het kalf verdronken is, dempt men de put. (=pas als het te laat is, neemt men maatregelen)
  22. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  23. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  24. als winnaar/beste uit de bus komen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  25. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  26. beter voorkomen dan genezen. (=je kan beter iets voortijdig voorkomen dan er later de gevolgen van inzien)
  27. bij de neus nemen (=iemand beetnemen)
  28. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  29. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  30. bomen ontmoeten mekaar niet, mensen wel. (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot.)
  31. boven water komen / boven water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken.)
  32. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
  33. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  34. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  35. de benen nemen (=er vandoor gaan)
  36. de biecht afnemen (=ondervragen)
  37. de dingen bij hun naam noemen (=zeggen waar het op staat)
  38. de draad van het verhaal opnemen (=het verhaal of de taak verderzetten op de plaats waar eerder gestopt was)
  39. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  40. de gaande en komende man. (=iedereen die komt opdagen.)
  41. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  42. de kap aannemen (=in een klooster gaan)
  43. de kuierlatten nemen (=te voet gaan)
  44. de liefde kan niet van één kant komen. (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  45. de maan komt al door de bomen/wolken (=gezegd van iemand die kaal begint te worden)
  46. de markt afschuimen (=overal zoeken wat er `te koop` is)
  47. de mens wikt, maar God beschikt. (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  48. de nieuwe mens aandoen (=zijn gewoonten en zeden verbeteren)
  49. de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  50. de rijpste pruimen zijn geschud. (=belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)

690 betekenissen bevatten `men`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  3. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen.)
  4. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen.)
  5. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  6. aan de bak komen. (=aan de beurt komen; een baan krijgen.)
  7. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  8. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  9. over de drempel komen (=aan huis komen)
  10. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  11. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  12. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  13. het op de klompen aanvoelen (=achterafgepraat - Dat had men kunnen weten)
  14. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  15. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  16. in de lucht zitten (=algemeen voorkomen)
  17. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  18. de toets doorstaan (kunnen) (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  19. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  20. geld stinkt niet. (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.)
  21. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  22. zonder geluk vaart niemand wel. (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  23. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  24. botertje aan de boom zijn / Het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  25. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  26. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  27. zich uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
  28. als het in de kajuit regent druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
  29. als de herder verdwaalt dolen de schapen. (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  30. vis begint aan de kop te stinken (=als een bedrijf een slecht management heeft)
  31. vele handen maken licht werk. (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  32. na gedane arbeid is het goed rusten. (=als een klusje geklaard is kan men er tevreden op terug kijken dat het af is)
  33. als 't schip zinkt dan zinkt ook de lading. (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt.)
  34. men moet van twee kwaden het minste kiezen (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  35. niemand genoemd niemand geblameerd (=als er geen namen genoemd worden, wordt niemand gekwetst)
  36. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  37. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  38. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  39. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  40. ergens een handje van hebben (=als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen en een ander het werk bv laten doen)
  41. belofte maakt schuld. (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  42. een geplaveisde weg is des duivels oorkussen. (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  43. gedeelde smart is halve smart. (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  44. de liefde kan niet van één kant komen. (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  45. goed voorbeeld doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  46. goed voorgaan doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  47. oude liefde roest niet (=als men al lang verliefd is, verdwijnt die liefde niet meer)
  48. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)
  49. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  50. wat het huis verliest, brengt het weer terug. (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn.)

Het dialectenwoordenboek kent 410 spreekwoorden met `men`

  1. Ostêns: oh geire meneire me tein doe zeir (=meneer mijn teen doet pijn)
  2. Zelzaats: Winkel en mendonk (=Slappe koffie)
  3. Bilzers: vant puntsje van men naos, tot on menendikke tein (=van top tot teen)
  4. Rous (Sint-Genesius-Rode): vaaf meneute vè brussel (=even wachter aub)
  5. Bilzers: kloête meneir de zjus (=dank je feestelijk)
  6. Liedekerks: Tes men'n tand nè (=Dat lust ik niet)
  7. Arendonks: thangt meneh freik ooit (=ik baal ervan)
  8. Antwerps: ik gon menaaige wasse (=ik ga mij wassen)
  9. Cuijks: mende da werkeluk woar? (=meen je dat nou?)
  10. Munsterbilzen - Minsters: As men tant Kl...ho(ch),wosset mene noenk (=Als,als....)
  11. Oudenbosch: kheb meneige motte afbeule (=ik heb hard moeten werken)
  12. brabants: Dè minne gai nie war? (=Dat ga je toch niet menen?)
  13. Munsterbilzen - Minsters: mene maog ès mene bèste kammeraod (=eten is mijn liefhebberij)
  14. Ossies: Wa mende ge nou ! (=Wat wil jij nou !)
  15. Ouddorps: Die heit een bek as 'n mendeure (=Die heeft een grote mond)
  16. Munsterbilzen - Minsters: Meine lik èn de Vlonders (=menen is nog niet zeker weten)
  17. Bilzers: mene maog és mene bèste kammeraod (=lekker eten vind ik top)
  18. Menens: tettezien (=het is te zien)
  19. Bilzers: noë menen daud wilech trégkoëme as men vroo, dan zienech dékker men kameraote trég (=van je vrienden moet je het hebben)
  20. Munsterbilzen - Minsters: doë doen ich menen hoed vër aof (=dat is lovenswaardig)
  21. Bilzers: ich hûb ter mene bauk van vol ! (=genoeg !)
  22. roeselaars: mene kop sloat open en toe (=een kater hebben)
  23. Munsterbilzen - Minsters: mene maog groemelt (=ik heb honger)
  24. Munsterbilzen - Minsters: kis mene naere (=loop naar de maan)
  25. Munsterbilzen - Minsters: mene kop traof ! (=ik zweer het !)
  26. Munsterbilzen - Minsters: menen auto ès stik noë de kloete (=mijn wagen is total loss)
  27. Bilzers: de kins mene rég op (=loop naar de maan)
  28. Munsterbilzen - Minsters: mene bak ès liëg (=mijn benzine is op)
  29. Antwerps: mak â ies tegen mene jillée trekken (=iemand willen omhelzen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: das nie mene terapie ! (=das mijn gewoonte niet !)
  31. Menens: gankt vierkante min kloaten ut! (=u bent lastig)
  32. Zemst: Iet veur mene holle tand te vulle (=En kleinigheid eten)
  33. Antwerps: Amai mene frak ! (=Het is me wat !)
  34. Munsterbilzen - Minsters: ich höb iëk op mene raech (=mijn rug jeukt)
  35. Menens: mulle zin, skjief zin, stroate zin (=dronken zijn)
  36. Menens: j' iz mè sen oar (=hij is overleden)
  37. Bilzers: vendaog gon ich menen oto nogés én de geraach zétte (=vandaag is het te doen)
  38. Bilzers: doë brik mene kloemp van (=dat verbaast me)
  39. Munsterbilzen - Minsters: mene kop ter aof ! (=ik zweer !)
  40. Bilzers: kis mene naere (=je kan mijn rug op)
  41. Menens: tes ol gin oar snien (=het steekt tegen)
  42. Menens: 'k bënne beskid (=ik weet genoeg)
  43. Munsterbilzen - Minsters: das e koet èn mene portemenei (=dat is een dikke tegenvaller)
  44. Munsterbilzen - Minsters: ich kraup èn mene nès (=ik ga naar bed)
  45. Bilzers: ich ho(ch) zjus mene rég gedraed (=ik had me juist omgekeerd)
  46. Munsterbilzen - Minsters: loop toch noë de kloete, mene man (=loop naar de pomp !)
  47. Munsterbilzen - Minsters: de brings mich van menen aprepoo (=ik geraak de kluts kwijt)
  48. Menens: doe de lucht dwod (=doe het licht uit)
  49. Menens: j'et gelik 'n dykkedëlver (=hij heeft grote eetlust)
  50. brabants: Das kwaoliteit baas van den bovenste plaank! (=Dat is kwaliteit meneer)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen