Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


95 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `make`

  1. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  2. benen maken (=(haastig) weggaan)
  3. bokkesprongen maken (=van het een op het ander springen - zotte sprongen maken)
  4. captie maken (=bezwaren/aanmerkingen maken)
  5. dat is geen punt. / Daar maken we geen punt van. (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argument.)
  6. de balans opmaken. (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad.)
  7. de blits maken (=opvallen)
  8. de boel aan kant doen/maken (=opruimen)
  9. de dienst uitmaken (=vertellen wat er gebeuren moet)
  10. de kleren maken de man. (=iemands kleding bepaalt het aanzien dat hij krijgt.)
  11. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  12. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  13. een goede beurt maken (=iets heel goed doen, een goede indruk maken)
  14. een katterug maken (=diep buigend groeten)
  15. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
  16. een put maken om een andere te vullen (=met de ene lening de vorige afbetalen)
  17. eén uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit. (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  18. een vuist maken. (=krachtig opstellen.)
  19. er een halszaak van maken. (=het erg belangrijk maken van iets.)
  20. er een potje van maken (=er een janboel van maken)
  21. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  22. er is geen chocola van te maken (=niet te begrijpen)
  23. er nachtwerk van maken (=laat opblijven)
  24. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  25. ergens een halszaak van maken (=iets heel erg aantrekken en ernstig nemen)
  26. ergens geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  27. ergens werk van maken (=ergens mee aan de gang gaan)
  28. geen bokkesprongen kunnen maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  29. geen chocola kunnen maken van (=het niet begrijpen)
  30. geen chocolade kunnen maken van (=het niet begrijpen)
  31. geen complimenten maken met (=niet ontzien, beslist optreden)
  32. geen plaatje maken (=er niet geweldig uitzien)
  33. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  34. gewag maken van (=verwijzen naar, melding maken van)
  35. goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
  36. het al te bont maken (=het erg maken)
  37. het erg bont maken (=zich al te fel te buiten gaan)
  38. het iemand warm maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  39. het uitmaken (=een relatie beëindigen)
  40. iemand beest maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  41. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  42. iemand een kopje kleiner maken. (=iemand vermoorden.)
  43. iemand ergens voor warm maken (=iemand interesse voor iets opwekken)
  44. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  45. iemand iets diets maken (=iemand iets wijs maken)
  46. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  47. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  48. iemand van kant maken (=iemand doden)
  49. iemand warm maken (=iemands interesse opwekken)
  50. iemand zwart maken (=lelijke dingen over iemand vertellen)

204 betekenissen bevatten `make`

  1. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  2. aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  3. van de daken schreeuwen (=aan iedereen kenbaar maken)
  4. op de vingers tikken (=aanmerkingen maken)
  5. aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
  6. aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
  7. long en lever verteren (=alles opmaken)
  8. wie a zegt moet ook b zeggen. (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken.)
  9. waar twee kijven hebben twee schuld. (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  10. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  11. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  12. iets aan de kaak stellen (=bekend maken wat niet in orde is)
  13. op zijn achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
  14. op de tenen trappen (=beledigen, kwaad maken)
  15. captie maken (=bezwaren/aanmerkingen maken)
  16. de ogen verblinden (=blind maken voor de waarheid)
  17. op stang jagen/rijden (=boos maken)
  18. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewijst niets.)
  19. de mens wikt, maar God beschikt. (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  20. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  21. de augiasstal reinigen (=de rommel opruimen - schoon schip maken)
  22. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten maken als iemand anders)
  23. ondervinding is de beste leermeester. (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  24. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  25. aan de bel trekken. (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt.)
  26. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  27. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  28. iets er met de haren bijslepen (=een argument gebruiken dat niets met de zaak te maken heeft)
  29. de kat de bel aanbinden. (=een begin maken aan een gevaarlijk werk.)
  30. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  31. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
  32. over de schreef gaan (=een ernstige fout maken)
  33. een steek(je) laten vallen. (=een fout maken.)
  34. een wit voetje halen (=een goede indruk maken bij de leider(s).)
  35. hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
  36. iemand op de hak nemen (=een grap over iemand maken)
  37. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  38. op je bek gaan. (=een grote fout maken; afgaan.)
  39. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  40. een ridder van de el (=een kleermaker)
  41. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf. (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken.)
  42. belofte is een hemd der dwazen. (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken.)
  43. een flater slaan (=een nogal domme fout maken)
  44. bij Neck om naar Den Haag. (=een onnodige omweg maken.)
  45. tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking maken over iets wat gevoelig ligt.)
  46. een slecht figuur slaan (=een slechte indruk maken)
  47. grote stappen, gauw thuis. (=een taak uitvoeren zonder zich er druk over te maken of ieder detail correct wordt aangepakt.)
  48. op het verkeerde paard wedden. (=een verkeerde inschatting maken.)
  49. ziek of ziekenhuis? (=eind aan discussie maken)
  50. aan iets paal en perk stellen (=er een definitief einde aan maken)

Het dialectenwoordenboek kent 272 spreekwoorden met `make`

  1. Zeeuws: opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij)
  2. Sint-Niklaas: ier makeerdiets (=hier is iets niet juist (niet pluis))
  3. Mechels (BE): van uilesen tèppe make (=lawaai maken - rusie maken)
  4. Tegels: leave [=leven] maken (=lawaai maken)
  5. Heusdens: we gun een sleurboan make (=we gaan een glijbaan maken (ijsglijden))
  6. Venloos: Zich dieke bein make (=Zich ergens druk over maken)
  7. Sittards: te make haet mit (=te maken heeft met)
  8. Zeeuws: de mikker [maker] leef nog (=gebroken servies e d)
  9. Zurriks: Ge moet er gen zakbèn van make (=Je moet het niet te gek maken)
  10. Valkenswaards: Umzeumen (=Broek korter maken)
  11. Diesters: ne kemel schiete (=fout maken)
  12. Munsterbilzen - Minsters: maule trèkke (=grimassen maken)
  13. Liwwadders: keetlelle (=plezier maken (luidruchtig))
  14. Westerkwartiers: ruum boan moak'n (=ruimte maken)
  15. Opglabbeeks: ineins hoar zitte (=ruzie maken)
  16. Vlijtingens: koakele (=een koprol maken)
  17. Brugs: va je gat maken (=zich druk maken)
  18. Sevenums: embras maken (=zich ergens druk om maken)
  19. Mestreechs: aon dien stutte trekke,\r\nmake totste weg kums,\r\nmet de start tösse dien bein aofhowwe. (=maken dat je weg komt)
  20. Walshoutems: verkammezôle (=Kapot maken (voorwerp))
  21. Munsterbilzen - Minsters: versjangeniëre (=kwaad maken)
  22. Kinrooi: De weurs zelf neet wit door angere zwart te make! (=Je wordt zelf niet wit door anderen zwart te maken!)
  23. Merenaars: zijnen derden tujenen (=bont maken)
  24. Vlijtingens: besjaar moake (=ophef maken)
  25. Waregems: dran toesteken (=verlies maken)
  26. Munsterbilzen - Minsters: rondtriepele (=besluiteloos toertjes maken)
  27. Zeeuws: je mikt ut noha van eiers (=bont maken)
  28. Bildts: skytte in 'n cadeautsy (=blij maken met niks)
  29. Leuvens: kette mette moke (=korte metten maken)
  30. Brabants: ut begaaien (=er een rotzooi van maken)
  31. Waregems: 'n pieske doen (=een plasje maken)
  32. Erps: ne post pakken (=een erge val maken)
  33. Hals: ne smool trekke (=een gek gezicht maken)
  34. Sint-Niklaas: smakken (=geluid maken als men eet)
  35. Sint-Niklaas: pladesteren (=iets vuil maken)
  36. Kortemarks: eentwieë puppn upangn (=iemand iets wijs maken)
  37. Londerzeels: iet verdestrewere (=iets stuk maken, fout doen)
  38. Londerzeels: e doe zé wérk alftegat (=half werk maken)
  39. Munsterbilzen - Minsters: noë de k. helpe (=kapot maken)
  40. Zurriks: Onköste op ut sterrefhoes (=Onkosten maken voor niets)
  41. Gents: druume van boktande (=onmogelijke plannen maken)
  42. Sint-Laureins: een kwebbelinge hèn (=ruzie maken)
  43. Melseels: Nogal wa moovemeinten moaken (=Veel ophef maken)
  44. Munsterbilzen - Minsters: zen broek sjiëre (=verlies maken)
  45. Munsterbilzen - Minsters: zene kop braeke (=zich zorgen maken)
  46. Ninoofs: a kas opfrett'n (=zich zorgen maken)
  47. Veurns: z'n ersens klutsen mi... (=Zich zorgen maken over...)
  48. Opglabbeeks: ich, dich en duuw, make alle minsen sjuuw (=ik, jij en gij maken alle mensen bang)
  49. Astens: goal zetten (=doelpunt maken)
  50. Veurns: de boeël opkuusch'n (=Schoonschip maken)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen