Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `krab`

  1. een zwarte kat krabt niet (=je moet je niet laten leiden door je angsten)
  2. er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
  3. geen nagel hebben om zijn gat te krabben (=heel erg arm zijn)
  4. het is krabben op de naad (=het eten is op)
  5. het staat geschreven en gedrukt je moet krabben waar het jeukt (=problemen bij de bron aanpakken)
  6. zich achter de oren krabben (=door een onverwachte, zorgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
  7. zo scheef als een krab (=erg scheef)

Het dialectenwoordenboek kent 54 spreekwoorden met `krab`

  1. Munsterbilzen - Minsters: asset iëk moeste krabbe (=de krab kreeg jeuk)
  2. Waregems: de katte krauwt (=de kat krabt)
  3. Mays: ache juuk et motte krabbe (=Als het jeukt moet je krabben)
  4. Bergs: ksijn un krab (=ik ben een krab)
  5. Tilburgs: de klèèn kènder kraffelde oover et èès. (=de kinderen krabbelden over het ijs.)
  6. Bilzers: ast iëk moeste krabbe (=het staat geschreven en gedrukt, dat je krabben moetal het jukt)
  7. Lichtervelds: je trekt zne stêirt in (=hij krabbelt terug)
  8. Evergems: ij ee geene noagle om an zijn gat te krabb'n (=hij heeft geen bezit)
  9. Giethoorns: Gien naegels om 't gat te kraben (=Armoede)
  10. Lochristis: é é giien nuigle om oin zijn gat te krabn (=hij is arm)
  11. Twents: Ik heb genn neagel um t gat te krabn (=Ik ben helemaal blut)
  12. Brakels: ij trekt zijne stert iejn (=hij krabbelt terug)
  13. Booms: ne krabbekoker (=ongewoon iemand)
  14. Munsterbilzen - Minsters: nau trèkter zene stat wir èn (=nu krabbelt hij weer terug)
  15. Diesters: Dieë hijt ginne nagel oem ze gat te krabbe; dieë zit oep druuëg zoad, dieë moet krabbe oem er te koome (=Hij heeft geen geld)
  16. Munsterbilzen - Minsters: asset iëk moeste krabbe (=als het jeukt moet je sporten)
  17. Antwerps: wa zittegêi in e broek te krabbe (=tegen iemand welke wartaal uitkraamd)
  18. Nijmeegs: Het gin naogol um an de reet te krabbuh (=Arm)
  19. Munsterbilzen - Minsters: ne krabbel zètte (='n handtekening plaatsen)
  20. Munsterbilzen - Minsters: tès e krabberke (=het is een tweederangsrenner)
  21. Prinsenbeek: Die krabbe ze nie bloot (=Die heeft geld genoeg)
  22. Ossies: 't stoa geschrève en gedrukt, ge moet krabbe woar ut jukt (=Het staat geschreven en gedrukt, je moet krabben waar het jeukt)
  23. Giethoorns: A-j laast em moe-j kraben (=Stel jezelf gerust)
  24. lichtervelds: de beutre goat diezn (=als iemand aan zijn achterste krabt zegt men)
  25. Munsterbilzen - Minsters: nog gene naogel hübbe vër zen K. te krabbe (=zelfs niet het broodnodige bezitten)
  26. Herentals: da zen krabbers (=dat zijn mislukkelingen)
  27. Sint-Katelijne-Waver: Giêne nagel veu zaa gat te krabbe (=Geen centen hebben)
  28. Gouda: krabbelen om een cent (=elk dubbeltje omdraaien)
  29. Munsterbilzen - Minsters: ich geleef daste laajs höbs (=waarom zit je constant te krabben op je kop)
  30. houthulst: je geen nagel om aanzien gat te krabelen (=hij is zeer arm)
  31. Moorsel: giejn naugel emmen ve on zen gat te krabben (=straatarm zijn)
  32. Munsterbilzen - Minsters: krab mene raech ès (=voor een paar euros ga ik niet werken)
  33. Maas en waals: hij het gin naogel um zun reet te krabbe (=hij heeft weinig geld)
  34. Brussels: kraagt de kramp in aa kluuten en keut ermkes da g'er nie koenjd oa krabbe (=krijg de kolere)
  35. Munsterbilzen - Minsters: hae krabde tottet bloed traut zeekde (=de dermatoloog had eelt op zijn hart)
  36. Overijses: geene noegel emme ve on a gat te krabbe (=geen bezittingen hebben)
  37. Bachten de kupes: he genen nagel voe zen gat te krabben (=heeft geen geld)
  38. Nieuwerkerks: giene nogel ver o zen kluuëten te krabben (=Iemand die Arm is)
  39. Munsterbilzen - Minsters: vër ne sent mauste mëne rég es krabbe (=dat betaalt teweinig)
  40. Genneps: Gènne nagel hèbbe um de kó.nt te krabbe (=erg arm zijn)
  41. Bornems: deen ei gene naugel veu on zen gat te krabbe (=hij heeft geen geld)
  42. Overpelts: hij hit ginne nagel vur oan z'n koont te krabbe (=hij heeft niets)
  43. Genneps: den moet krabbe waor t um nie jukst (=die heeft het moeilijk)
  44. Munsterbilzen - Minsters: de zuls hel moette krabbe/kretse (=je zult hard moeten werken)
  45. Neerpelts: er stut geschreven en gedrukt da ge moet krabben boe det jukt (=er staat geschreven en gedrukt, dat je moet krabben waar het jeukt)
  46. Merenaars: 't stoe geskreven en gedrukt, ge moetj krabben wurdat ukt (='t staat geschreven en gedrukt, je moet krabben waar het jeukt)
  47. Achterhoeks: et steet eschreven en edrukt, i-j mot krabben waor et jukt (=het staat geschreven en gedrukt, men moet krabben waar het jeukt)
  48. Munsterbilzen - Minsters: ich hëb moette kretse/krabbe (=ik heb zware inspanningen moeten doen)
  49. Bilzers: ¨doë mauste mene rëg és vür krabbe (=voor zo weinig geld werk ik niet)
  50. Antwerps: Dien ieje gene rotte fraank oem on zen gat te krabbe (=Hij heeft geen geld)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen