Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


101 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ker`

  1. achterom is kermis (=gezegd bij biljart als 'n bal rakelings achter een andere door loopt)
  2. als een blad van een boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  3. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  4. binnen de kortste keren (=heel snel, bijna onmiddellijk)
  5. binnen de kortste keren (=bijna onmiddellijk)
  6. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  7. dat is makkelijker gezegd dan gedaan (=het valt in de praktijk nog niet mee)
  8. de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
  9. de kat van de bakker heeft het gedaan (=niemand is de schuldige)
  10. de kat(jes) in 't donker knijpen (=kwaad doen waar niemand het ziet)
  11. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  12. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  13. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  14. de natuur is sterker dan de leer (=datgene wat aangeleerd is wordt gauw vergeten)
  15. De reis is nog niet ten einde als men kerk en toren herkent (=Geef niet op voor het doel geheel is bereikt)
  16. de rollen omkeren (=wat de een normaal doet doet de ander nu en andersom)
  17. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  18. de teugels strakker aanhalen (=een strengere discipline invoeren)
  19. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  20. een boom van een kerel (=een grote man)
  21. een kat in het donker/nauw maakt rare sprongen (=in een benarde situatie doet men vreemde dingen)
  22. een kerel als Kas (=een stevig gebouwd kerel)
  23. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  24. een rijke stinkerd (=een rijk iemand)
  25. Een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden. (=De invloed van een vrouw is zeer sterk)
  26. er is klei aan de kloet/knikker (=er is iets mis)
  27. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  28. Eten als een dijker. (=Onbeschoft veel eten.)
  29. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  30. gods water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  31. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  32. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden))
  33. heet gebakerd (=driftig van aard)
  34. het anker lichten (=ergens vertrekken, weggaan en verder reizen)
  35. Het is beter de bakkers te paard, als de dokters. (=Je kunt beter voldoende en gezond eten, dan straks naar de dokter te moeten)
  36. het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
  37. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  38. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  39. het komt uit zijn koker (=hij is degene die het heeft bedacht)
  40. het komt voor de bakker (=het komt in orde; het wordt geregeld)
  41. het masker afdoen/afleggen/afnemen (=zijn ware gezicht tonen)
  42. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij)
  43. hij droogt uit als een Harderwijker (=iemand die alsmaar vervelender wordt)
  44. hij is aan het eind van zijn akker (=zijn geld is op)
  45. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit)
  46. iemand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteunen)
  47. iemand de nek toekeren (=zich minachtend van iemand afwenden)
  48. iemand naar de Mokerhei wensen (=iemand verwensen)
  49. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  50. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)

97 betekenissen bevatten `ker`

  1. zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
  2. op jaren komen (=al een zekere leeftijd bereiken)
  3. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  4. gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  5. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  6. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  7. er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
  8. daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  9. dat staat als een paal boven water (=dat is een absolute zekerheid)
  10. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  11. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  12. dat is zo vast als een huis (=dat is zeker)
  13. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  14. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  15. van zijn voetstuk stoten (=de macht ontnemen - ontmaskeren)
  16. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  17. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  18. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  19. tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  20. in de lucht hangen (=dreigen te gebeuren - onzeker zijn)
  21. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  22. met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
  23. iets aan het handje hebben (=een beetje verkering hebben)
  24. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  25. een ridder van de el (=een kleermaker)
  26. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  27. Een oorblazer (=Een kwaadspreker)
  28. iemand het voordeel van de twijfel gunnen (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen)
  29. een krakende wagen (=een onzekere zaak - iemand met een zwakke gezondheid)
  30. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't minste geluid wakker wordt)
  31. een kerel als Kas (=een stevig gebouwd kerel)
  32. een renegaat is nog erger dan een Turk (=een vroegere vriend is een veel gevaarlijker vijand dan iemand die altijd een vijand is geweest)
  33. eruit zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, harkerig uitzien)
  34. met de sok op de kop gezet (=er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen)
  35. feestelijk danken (=er voor danken maar het zeker niet aannemen)
  36. ik mag de tering krijgen (=er zeker van zijn)
  37. van je buik een afgod maken (=erg veel geld uitgeven aan lekker eten en drinken)
  38. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  39. iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
  40. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  41. ergens de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
  42. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  43. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  44. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  45. het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
  46. (iets) staat op losse schroeven (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen)
  47. oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
  48. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  49. Hij is voor de fret. (=Hij houdt van lekker eten.)
  50. Hij is een smulpaap. (=Hij houdt van lekker eten.)

Het dialectenwoordenboek kent 94 spreekwoorden met `ker`

  1. Geldermalsens: korse kere (=kersen keren)
  2. Tilburgs: verèkkes klèènen opn euker (=akelig kereltje)
  3. Lichtervelds: tis e boîs vintje (=het is een slim kereltje)
  4. Zeeuws: z ei oohen as kerboenkels (=felle ogen)
  5. Venloos: ze haet het kerkbook aope liggen (=hitsige vrouw)
  6. West-Vlaams: kerieuzeneuzen en vrah'n stell'n (=nieuwsgierig zijn)
  7. Waregems: goan dien'n (=gaan bidden voor bijstand van een heilige, met kerkbezoek en verering relikwie)
  8. Westerkwartiers: d'r benn'n meer huuz'n dan kerk'n (=je vindt altijd wel onderdak)
  9. Wagenings: keel keel wat un wee wo (=kerel kerel wat een weer)
  10. West-Vlaams: kerjoole vieër'n (=het binnenhalen van de oogst vieren)
  11. Tilburgs: ba, wè zèè de gè tòch un ont mènneke (=bah, wat ben jij toch een vervelend kereltje)
  12. Oudenbosch: ge kunt ier oew koont nie kere (=het is hier erg krap)
  13. Liedekerks: Kist ne ker men ol (=Kus mijn gat)
  14. Aalsters: a eit zenne kerf gezetsj (=hij is dood)
  15. Rotterdams: hee Lange, issut koud bofe (=een lange kerel zien)
  16. Munsterbilzen - Minsters: das ne slimme voeëgel (=dat is een uitgekiende kerel)
  17. Antwerps: das nogal ne sjoarel (=dat is me een kerel)
  18. Sint-Niklaas: die kjeirel éé vloûn (=die kerel heeft vlooien)
  19. Groesbeeks: Mar Kè (=Maar kerel, Tjonge jonge jonge !)
  20. Lichtervelds: tis ne gasreerdn duuvle (=het is een onbeschofte kerel)
  21. Zuuns: da's ne rare wazzje (=dat is een vreemde kerel)
  22. Veurns: een roar'n sjoarlewie (=een rare kerel)
  23. Riemsts: Sjau maân! (=Wat een kerel!)
  24. Hulsters (NL): à zôon ende mèns! (=wat een lange kerel!)
  25. Tilburgs: ge most kerbiet lusse, dan kos te öt mekaar ploffe (=blaast hem toch op man)
  26. Westerkwartiers: 'n kirrel uut duuz'nd (=een geweldige kerel)
  27. Munsterbilzen - Minsters: wot nen èngebeelde (zak) (=dat is een verwaande kerel)
  28. Susters: ker mer veur dien eige deur (=kijk maar eerst naar jezelf)
  29. Westerkwartiers: 't is aans as aans (='t is anders dan andere keren)
  30. achterhoeks: Kannie leg op 't kerhof, Wilnie leg d'r naost (=Als je het niet probeert, lukt het ook niet)
  31. Waregems: da veintse goa nog skeetn loatn (=die kerel zal nog afzien)
  32. Lokers: 'k gou ne ker woar da de keuning ok te voet goat (=Ik ga naar het toilet)
  33. Westerkwartiers: loov'm doe'j ien 'e kerk (=geloven doe je in de kerk)
  34. Antwerps: den Bruno of de Jan (=coolste kerel van de stad)
  35. Maasbrees: aes de as brikt velt de ker (=bang dat er iets verkeerd gaat)
  36. Iepers: zin karre keren (=veranderen van gedacht)
  37. Hoekschewaards: de wegn kommn al bei ker (=de wegen komen allemaal bij elkaar)
  38. Zeeuws: bi j wigestierd (=de kerk is vroeg uit)
  39. Sint-Niklaas: de nieve keirk (=Onze Lieve Vrouw kerk)
  40. Sint-Niklaas: daa keirk (=Sint Niklaas kerk)
  41. Westerkwartiers: huuv'm jem niet noar kerk ? (=hoeven jullie niet naar de kerk ?)
  42. Tilburgs: in die kèèrek is plòts genogt (=in die kerk is genoeg plaats)
  43. Sint-Niklaas: zijne mutten loate keren (=een boer laten)
  44. Brugs: van tiene elf keren (=vast en zeker)
  45. West-Vlaams: ze karre keren (=veranderen van mening/ houding)
  46. Zeeuws: ie stoeng voet borretje (=voor in de kerk)
  47. Liemers: Dén kaerl is aleneg mor vel aover but. (=Die kerel is zo mager als een lat.)
  48. Tilburgs: unne jas zo grôot dè-k ur wèl koosje-koosje meej kos gòn zinge. (=een jas zo groot dat ik er mij wel in kon keren.)
  49. Brabants: die vent die spoort nie (=die kerel is niet goed bij z'n verstand)
  50. Klemskerks: 't zien goe' geeëstn die keeërn: gezegd als welkomstgroet als iemand na enige tijd terugkeert naar de plek van de spreker. (='t Zijn goede geesten die keren)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen