Spreekwoorden met `anderen`

Zoek

Eén spreekwoord bevat `anderen`

  1. als een blad van een boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)

89 betekenissen bevatten `anderen`

  1. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  2. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  3. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  4. lieg ik, dan lieg ik in commissie (=als ik niet de waarheid vertel komt dat omdat ik niet beter weet of vertel wat anderen vertellen)
  5. laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het niet te weten)
  6. kunst baart gunst. (=als je ergens bedreven in bent zijn anderen toegevender en welwillender)
  7. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  8. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  9. uit de toon vallen (=anders zijn dan de anderen)
  10. elk heeft genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
  11. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  12. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  13. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  14. er is meer dan een koe die blaar/bles heet (=de mening van anderen telt ook)
  15. er is meer gelijk dan eigen gelijk (=de mening van anderen telt ook)
  16. het kind van de rekening (=degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben)
  17. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  18. genadebrood eten (=door anderen onderhouden worden)
  19. je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
  20. je uit de markt prijzen (=door eigen toedoen laten anderen diegene links liggen)
  21. een proefballonnetje oplaten (=door het doen van een uitspraak de mening van anderen peilen)
  22. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en schamen))
  23. een verborgen agenda hebben (=een doel hebben dat voor de anderen verborgen gehouden wordt, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband)
  24. een speldje bij iets steken (=een onderwerp niet verder uitdiepen, van gespreksonderwerp veranderen)
  25. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  26. eerst oompje en dan oompjes kinderen (=eerst ik, daarna de anderen)
  27. de gek in de mouw dragen (=eigenaardigheden verbergen voor anderen)
  28. goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
  29. de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluisterd door anderen)
  30. met de sok op de kop gezet (=er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen)
  31. er een balletje over opgooien (=er voorzichtig over beginnen te praten om erachter te komen wat anderen ervan vinden)
  32. de bocht achter/onder de arm houden (=extra voorzichtig zijn, iets nog niet garanderen. (een bocht houden in het touw dat je laat vieren))
  33. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  34. wie dan leeft die dan zorgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
  35. het is licht dansen op andermans vloer. (=geld van anderen uitgeven is makkelijk.)
  36. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  37. men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
  38. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  39. de rook kan het hangerijzer niet deren (=het heeft geen zin te proberen iets dat vast staat te veranderen)
  40. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  41. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  42. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  43. het is hem (hoog) in de bol geslagen. (=hij voelt zich ver boven anderen verheven)
  44. `s Lands wijs, `s lands eer (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden)
  45. men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  46. zo de wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
  47. de steen des aanstoots (=iets dat anderen hindert, in conflict brengt of verdeeldheid zaait)
  48. er je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  49. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  50. iets met de mantel der liefde bedekken (=iets niet met anderen bespreken maar stilzwijgen en accepteren)

50 dialectgezegden bevatten `anderen`

  1. 't hemd is noader dan 'e rok (=eerst je eigen familie helpen, daarna pas anderen) (Westerkwartiers)
  2. 't zien nog katjes die melk meugn (=Er zijn nog anderen op belust) (Veurns)
  3. ’t és ne gieëlen anderen (=hij is gans anders) (Meers)
  4. aander vër zen kaar spanne (=anderen voor zich laten werken) (Bilzers)
  5. aandere veur ut keerke spanne (=anderen het werk laten doen) (Mestreechs)
  6. as 'n blinde 'n blinde leidt vaal'n ze beid'nt ien 'e sloot (=als een leek anderen uitleg moet geven) (Westerkwartiers)
  7. As 't er iën'n in 't Schelde springt moe d'r nie achter springen (=Je hoeft anderen niet na te apen - niet in alles te volgen) (Wichels)
  8. As ge nen 'ond mee een 'oëken op ziet goa'der mee mee (=Je vertrouwt anderen te snel) (Wichels)
  9. As ik liege, dan lieg ik in commissie (=Van anderen horen zeggen) (Giethoorns)
  10. asset toerës nie kons keire, moessët nie op een aandër gon leire (=als jet het thuis niet kan uithouden moet je anderen niet gaan vervelen) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. aste daud bès, wiët iedereen get van dich (=een vriend is iemand die tijdens je leven je vertelt, wat anderen na je dood van je weten te vertellen) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. aste geen beroep wils leire, wiën dan mér gewaun ne sjoëlmeester (=ommigen hebben een beroep, anderen een roeping) (Bilzers)
  13. auttên taun valle (=afwijken van anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. baeter zinge dan springe (daase) (=je houdt beter het heft in eigen hand, dan naar anderen te moeten luisteren) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. daase op nen aandre ze graof (=lachen met tegenslag van anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. dae dougtj neet van gojigheid (=zich bekommeren om anderen en zichzelf vergeten) (Heitsers)
  17. de bès nie alleen opte werd (=wees wat stiller onder de lessen, anderen willen ook slapen) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. De moes haaj nie iëver zen eege zitte te kalle, dat doen vae seffes wol aste voert bés (=Praat nooit over jezelf, dat doen anderen wel) (Bilzers)
  19. De weurs zelf neet wit door angere zwart te make! (=Je wordt zelf niet wit door anderen zwart te maken!) (Kinroois)
  20. de wiës zelf nie wit (ter) dër aander zwat te maoke (=je wordt er zelf niet beter van door anderen af te breken) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. den aatërhaom trèkke (=niet te snel starten met werken, overlaten aan anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. den ene mok ët bèd op en den aandre geet trop ligge (=er zijn er altijd die profiteren van het zweet van anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. dich bès ne gemaekëlëke (=jij ziet de kat uit de boom-laat het door anderen oplossen) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. die zit in 'nen anderen zèn roapen (=die man is een onderkruiper) (Sint-Niklaas)
  25. dinke moeste iëverlotte on ze piëd, dae hètter de kop vër (=denken moet je aan anderen overlaten die dat kunnen) (Bilzers)
  26. doar stak 'er d' aanern d'oog'n met uut (=daar pronkte hij mee bij anderen) (Westerkwartiers)
  27. doot waat se wils den waer se neet gek (=geen rekening houden met anderen) (Heitsers)
  28. Een Mesjokkenaar, gestoorde, gekke Henkie, snuggere Harrie, imbecieltje, mongooltjie (=iemand die niet helemaal in orde is, een niet zo snuggere opmerking maakt, of zich als een gek gedraagt. Of iets uithaalt hetgeen anderen de schrik op het lijf jaagt) (Utrechts)
  29. Een stroontmadam (=Een vrouw met streken die denkt dat ze beter is als anderen) (Herentals)
  30. ènt gëreil loope (=hetzelfde doen als de anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. fluuster' n doe j' ien duuster' n (=niet fluisteren waar anderen bij zijn) (Westerkwartiers)
  32. ge mut ni over oe aaige klappe, da zulle d'aander wel doeng as ge weg zaait (=je moet niet over jezelf praten, dat doen de anderen wel als je weg bent) (Antwerps)
  33. Hae liët zich de vot noadrage (=alles door anderen laten opknappen) (Steins)
  34. hae luiptj t'r vanaaf wi-j 'ne hônd van ziêne strônt (=als iemand het aan anderen over laat) (Weerts)
  35. hè lòt aander meense d-aase ötkrööje (=hij laat anderen het vuile werk doen) (Tilburgs)
  36. ich bèn ich en nie dich ! (=wees jezelf, er zijn al anderen genoeg) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. ich hëb al leed genoeg mèt mën eege (=ik bemoei me niet met anderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. je keurn toogn: iets doen om anderen te verbazen, om op te vallen. Bv. Je sproenk oovr 't zwin vo' ze keurn te toogn (=je kuren tonen) (Klemskerks)
  39. jis gièèn aor beetre (=hij is niet beter dan al de anderen) (Kortemarks)
  40. jis gièèn oar beetre (=hij is niet beter dan de anderen) (Lichtervelds)
  41. laef zen eege laeve, de hübster mèr één (=wees jezelf, er lopen al zovele anderen rond) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. lot de boeurrekes mo dessen (=ik zit hier op mijn gemak,ik heb het hier goed, laat de anderen maar werken (letterlijk: laat de boeren maar dorsen)) (Overijses)
  43. Lotsj ge de boere mo dessn (=Laat de anderen maar werken) (Moorsel)
  44. mét d’n oeëp meeluëpen (=doen zoals de anderen) (Meers)
  45. metdoen op ' e schop en ' e bonk (=meedoen en anderen laten betalen) (Westerkwartiers)
  46. Ne Jan mijn klooten (=Zich beter vinden dan anderen) (Bevers)
  47. Ne langen erm hûbbe (=Dankzij anderen iets gedaan krijgen) (Bilzers)
  48. op nen aandre zen maol zaupe (=drinken op kosten van anderen) (Tongers)
  49. Op zien èège zien (=Eenzelvig zijn, niet met anderen bemoeien) (Genneps)
  50. oppe smacht laeve (=op kosten van anderen leven) (Weerts)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen