Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aap`

  1. aap wat heb je mooie jongen (=sarcastische opmerking over iemand die wat al te trots is op iets)
  2. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  3. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  4. dat gaapt als een oven (=dat is onwaarschijnlijk)
  5. dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is hoogst onwaarschijnlijk)
  6. de aap beet/binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
  7. de kaap te boven zijn (=het probleem overwonnen hebben)
  8. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  9. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  10. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't minste geluid wakker wordt)
  11. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  12. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  13. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  14. het verloren schaap (zijn) (=de gezochte (zijn))
  15. het zwarte schaap van de familie (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  16. Hij is een smulpaap. (=Hij houdt van lekker eten.)
  17. hij speelt aap wat heb je mooie jongen (=hij is overdreven vriendelijk)
  18. in de aap gelogeerd zijn (=in een vervelende positie beland zijn)
  19. jij raapt nog geen stro van de aarde (=je hebt nog niets verwezenlijkt)
  20. nu heb je het schaap aan het schijten (=nu komen er problemen van)
  21. nu komt de aap uit de mouw (=nu blijkt wat werkelijk de bedoeling was)
  22. recht voor zijn raap (=zonder omwegen gezegd)
  23. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  24. uit de goot opgeraapt (=van erg lage afkomst)
  25. vijf poten aan een kalf/schaap zoeken (=iets proberen te vinden dat er niet is)
  26. voor aap staan (=in het openbaar belachelijk zijn)
  27. voor zijn raap schieten (=voor het hoofd schieten)
  28. wie slaapt vangt niks (=je moet wel opletten)
  29. zich een aap lachen (=heel erg lachen)
  30. zich een aap schrikken (=erg schrikken)
  31. zijn schaapjes geschoren hebben (=van zijn rente kunnen leven)
  32. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  33. zijn schaapjes scheren (=er de winst uithalen)
  34. zo koud als een kaalgeschoren schaap (=heel erg koud)

3 betekenissen bevatten `aap`

  1. een tukje doen (=een kort middagslaapje)
  2. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't minste geluid wakker wordt)
  3. de kop van jut (=het slachtoffer, het zwarte schaap)

Het dialectenwoordenboek kent 21 spreekwoorden met `aap`

  1. Munsterbilzen - Minsters: zich kepot versjiete (=zich een aap verschrikken)
  2. Ostêns: mee u pies in de wiend (=voor aap staan)
  3. Haags: Iemand een aap op de mâh spelde (=Iemand in de aap logeren ( in de maling nemen))
  4. Deinzes: An uin aap sleuren (=Zich masturberen)
  5. Lichtervelds: jeet tgoapertje (=hij staat voor aap)
  6. Munsterbilzen - Minsters: vür spek en baune ston (=voor aap staan)
  7. Fries: Foar aap spylje. (=Een bespottelijke rol spelen.)
  8. Munsterbilzen - Minsters: hae kroenkelt waajen slang (=de dierenoppasser lacht zich een aap)
  9. Lokers: Nen aun aup moedde gieen toten liéren trèkn (=Een oude aap moet men geen muilen leren trekken)
  10. Westfries: kauwe as 'n aap op knikkers (=met lange tanden eten)
  11. Mestreechs: sjus unne aap tösse uh speul keigelle (=verschrokken/verbaasd staan kijken)
  12. Zaans: Zo groos as 'n ouwe aap (=Zo trots als een pauw)
  13. Twents: hee hef 'n aap bin'n (=hij heeft de schaapjes op het droge)
  14. Rotterdams: Hij was zo blauw as een aap,\r\nHij zat flink in de olie,\r\nHij had een snee in zijn neus,\r\nHij was kachel (=Hij was dronken)
  15. Veurns: een aap scheren (=een bok schieten)
  16. Venloos: Moek d'n aap dan vritte good (=Iemand vleien)
  17. Antwerps: de stoeme is me zaan kloete aan ne nagel blave ange. (=de aap komt uit de mouw.)
  18. Munsterbilzen - Minsters: de moes nen hond nie leire biële (=je moet een oude aap geen muilen leren trekken)
  19. Sallands: okal drög 'n aap 'n golden ring, 't is en blif 'n lilluk ding. (=ookal draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)
  20. Venloos: Flik d'n aap dan vritte good (=Iemand vleien om wat van hem gedaan te krijgen)
  21. Rotterdams: Je ken een hoop stront paars verruve, maar ut blijf een hoop stront (=Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen