Spreekwoorden met `Schit`

Zoek

Eén spreekwoord bevat `Schit`

  1. Schitteren door afwezigheid (=ergens niet aanwezig zijn, terwijl je komst wel verwacht werd)

11 dialectgezegden bevatten `Schit`

  1. 't reegn't dat 't Schit (=het regent pijpestelen) (Westerkwartiers)
  2. Aa Schit mè spek (=Hij overdrijft sterk) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  3. dè 't Schit (=ik trek het me niet meer aan) (Neerpelts)
  4. de duvel Schit altied op de dikste bult'n (=wie geld heeft krijgt er nog meer bij) (Westerkwartiers)
  5. den duvel Schit alt op de groetsten oûp (=het geld wil altijd bij dezelfde zijn) (Sint-Niklaas)
  6. i Schit i zin broek va schotte (=hij is zeer bang) (kemzekes)
  7. keppukkik geen ezelken da gaalt Schit zulle (=ik heb zoveel geld niet hé) (Sint-Niklaas)
  8. nou Schit mich een ei (=wat heb je me nu) (Neerpelts)
  9. Schit in de leie, je goa je strond zien zwem (=stop met zagen!) (Iepers)
  10. Schit omoeg! (=je kan de boom in!) (Heusdens)
  11. Veur niet Schit op strout (=Alles heeft zijn prijs) (Bevers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen