11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Rik`
- AmeRikaanse toestanden. (=overdreven grote en heftige situatues)
- brave hendRik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltjes volgt)
- de verzenen tegen de pRikkels slaan (=zich verzetten tegen iets wat niet tegen te gaan is)
- een brave HendRik zijn (=erg braaf zijn of zich zo voordoen)
- een vos is niet licht met één stRik te vangen. (=slimme mensen laten zich niet makkelijk foppen.)
- je een aap schRikken (=erg schrikken)
- je een hoedje schRikken (=enorm schrikken)
- je het apelazerus schRikken (=heel heftig schrikken)
- je wezenloos schRikken (=erg schrikken)
- voor een pRikje kopen (=voor een zeer lage prijs kopen)
- wie een zin begint met ik is een grote stommeRik. (=ik aan het begin van een zin is niet zoals het hoort)
29 betekenissen bevatten `Rik`
- er de wind onder hebben (=de schRik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
- de koorts/stuipen op het lijf jagen (=doen schRikken)
- in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstRik lopen)
- groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schRikken)
- hazenvlees gegeten hebben (=een bangeRik zijn)
- een Uriasbrief (=een brief waarin een verschRikkelijk bericht staat)
- één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschRikkelijke gevolgen hebben)
- een ongelikte beer (=een onbeschofteRik)
- een leven als een oordeel (=een verschRikkelijk lawaai)
- je een hoedje schrikken (=enorm schRikken)
- ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=er verschRikkelijk tegen opzien)
- je wezenloos schrikken (=erg schRikken)
- je een aap schrikken (=erg schRikken)
- de haren ten berge (doen) rijzen (=ergens erg van (doen) schRikken)
- aan iets blijven hangen (=ergens verstRikt in raken, ermee bezig blijven)
- er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschRikken)
- je het apelazerus schrikken (=heel heftig schRikken)
- het is bij de (wilde) beesten af (=het is verschRikkelijk; het is schandalig)
- het bloed stolt hem in de aderen (=hij verstijft van schRik)
- een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangeRik)
- iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schRikken en/of bang maken)
- de stuipen op het lijf jagen (=iemand felle schRik aanjagen)
- iets mannetje voor mannetje doen (=iets stRikt volgens plan uitvoeren)
- het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schRik of van het lachen)
- tegen de vleug strijken (=pRikkelen, boos maken)
- de dood op het lijf jagen (=schRik aanjagen)
- om het hart slaan (=schRik bezorgen)
- in het land der blinden is eenoog koning (=tussen dommeRiken volstaat een klein beetje verstand om baas te zijn)
- voor iemand kruipen (=van iemand schRik hebben , slaafs alles doen wat hij vraagt)
27 dialectgezegden bevatten `Rik`
- 't geld groeit nie op me Rik (=ik verdien ze niet zo gemakkelijk, mijn centjes) (Veurns)
- 't wasgoed hangt op 't Rik (=het wasgoed hangt op 't wasrek) (Westerkwartiers)
- ai j trouwt kom jin de zurrehen en je Rik ter noeait mi uut (=zorgen) (Zeeuws)
- Das zèk (zeik) op de Rik (=Dat is onzin / gezeur) (Geldermalsens)
- de kons him wir mèt de Rik voejërë (=hij is weer niet te genieten) (Munsterbilzen - Minsters)
- een breeën Rik èn (=veel aan kunnen) (Veurns)
- etwieën de Rik uuteet' n (=veel eten) (Veurns)
- Hie hei 'n gladde Rik (=Hij kan veel hebben) (Ouddorps)
- Ierlijk doert het langst (um Rik te we'ere) (=n.v.t.) (Nuths)
- Ik ha een puuste op m'n Rik (=ik heb een puist op mijn rug) (Flakkees)
- j' et a brèe Rik (=hij kan veel verdragen) (Nieuwpoorts)
- jeet oîgn up ze gat, jeet oîgn up zne Rik (=hij ziet werkelijk alles) (Kortemarks)
- joe ken mien Rik op (=je kan mijn rug op) (Flakkees)
- kèëke ofste èn ne Rik hings (=overdreven reageren op pijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- kèèke ofwant er èn 'ne Rik hingt. (=schreeuwen) (Genker)
- kzoen ze gern ne ke up eurn Rik willn leggen (=een vrouw zeer aantrekkelijk vinden) (Roeselaars)
- më brierkë zoet toeê te kaeke asoft tër èn ne Rik hoeng (=mijn jonger broer zat daar te schreeuwen alsof hij in een riek hing) (Munsterbilzen - Minsters)
- Mit hounder op t Rik goan (=Met de kippen op stok gaan) (Gronings)
- mne Rik doe zièèr (=mijn rug doet pijn) (Kortemarks)
- Rik Viool liep altaa beus in zaan schoene (=Rik Fioole liep altijd zonder kousen in zijn schoenen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- t ès kërmes èn de hël en de dievele daase en staeke met de Rik (=het regent met volle zon) (Munsterbilzen - Minsters)
- tgeld groeit nie up mne Rik (=ik ben niet rijk) (Lichtervelds)
- tgeld groejt nie up mne Rik (=ik ben niet rijk) (Kortemarks)
- z'hed e drojbord op neur Rik (=vrouw die veel uitgaat) (Veurns)
- ze slaopn Rik an Rik (=ze slapen met de rug naar elkaar) (Kortemarks)
- ze sloapn Rik an Rik (=ze slapen met de rug naar elkaar) (Lichtervelds)
- ze spa op ze Rik dragen (=niet (veel) werken) (Veurns)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen