203 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oet`
- van zijn voetstuk vallen (=ontmaskerd worden - de macht ontnomen worden)
- vaste grond onder de voeten hebben (=weten waar men op steunt - in een goede positie verkeren)
- vaste voet aan de grond krijgen (=iets gedaan krijgen en/of als gebruikelijk beschouwd gaan worden)
- veel beloven en weinig geven, doet de gek in vreugde leven (=veel mensen zijn al blij met een belofte en geloven alles)
- veel voeten in de aarde hebben (=veel moeite en tijd kosten)
- verandering van spijs doet eten (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
- verandering van weide doet de koeien goed. (=afwisseling en verandering positieve effecten kunnen hebben)
- vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
- vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
- vliegt de blauwvoet storm op zee (=leuze van de Vlaamse nationalisten (ontleend aan Conscience))
- voet bij stuk houden (=niet toegeven, bij de eigen ideeën blijven)
- voor de rode deur moeten gaan (=voor het gerecht komen)
- voor de schenen/voeten werpen (=ermee confronteren)
- voor het voetlicht (=in de aandacht)
- voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
- waar er twee ruilen moet er een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
- waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
- waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
- wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
- wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen (=wat het belangrijkste is moet het eerste gebeuren)
- wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
- wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
- wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)
- wie een paard uit de wei wil halen, moet het beest niet eerst met het halster tegen de kop slaan. (=je bereikt meer met vriendelijkheid, dan met strengheid)
- wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
- wie eten wil moet de kok niet beledigen. (=hou je meerdere te vriend.)
- wie goed doet, goed ontmoet (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
- wie het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
- wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor over hebben)
- wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
- wie in het schuitje zit moet meevaren (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
- wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
- wie kwaad doet, kwaad ontmoet. (=je zult gestraft worden voor slechte daden)
- wie maaien wil moet zaaien (=je moet er iets voor doen om iets te verkrijgen)
- wie met de duivel uit één schotel wil eten, moet een lange lepel hebben. (=het valt niet mee iemand te bedriegen, die er zelf bedrieglijke parktijken op na houdt.)
- wie mooi wil zijn, moet pijn lijden (=voor schoonheid moet je wat over hebben)
- wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
- wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
- wie niet sterk is moet slim zijn (=wie geen macht of invloed heeft moet zijn slimheid gebruiken om je doel te behalen)
- wie nood heeft moet pompen. (=je moet zelf initiatief nemen om je problemen op te lossen)
- wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
- wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
- wie vis heeft, moet ook de graat hebben (=je moet ook de nadelen accepteren (geen rozen zonder doornen))
- wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
- wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld)
- wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
- wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen)
- wortelen doet `t gat bortelen. (=het eten van wortelen bevordert de stoelgang.)
- zeggen wat je doet en doen wat je zegt (=proactief communiceren en je houden aan toezeggingen)
- zien eten doet eten. (=iemand zien eten bevordert de eigen eetlust.)
272 betekenissen bevatten `oet`
- je kan niet de kool en de geit sparen (=je moet keuzes maken)
- je moet de snaren niet te sterk spannen (=je moet niet al te streng zijn, niet al te veel eisen)
- de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
- allemans neus is geen kapstok. (=je moet niet alles aan iedereen vertellen.)
- rijd een paard de rug niet stuk (=je moet niet altijd te veel eisen)
- `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
- de boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
- verkoop de huid niet voordat de beer geschoten is (=je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend)
- je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
- denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=je moet niet te veel denken)
- wie vis heeft, moet ook de graat hebben (=je moet ook de nadelen accepteren (geen rozen zonder doornen))
- het ijzer smeden als het heet is (=je moet op het juiste moment de kansen grijpen en dingen doen)
- de boer eet vis als het spek op is (=je moet tevreden zijn met wat je hebt)
- kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
- waar geen vis is, is haring ook vis (=je moet voor alles moeite doen)
- wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzichtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
- wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)
- wie slaapt vangt niks (=je moet wel opletten)
- roei met de riemen die je hebt (=je moet werken met de middelen die men heeft)
- een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
- ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zich wendt)
- wie nood heeft moet pompen. (=je moet zelf initiatief nemen om je problemen op te lossen)
- had je me gisteren gehuurd dan was ik vandaag je knecht geweest (=je moet zo niet commanderen - dat doe ik gewoon niet!)
- wat je van ver haalt is lekker. (=je waardeert dingen extra als je er veel werk voor moet doen)
- het zal je kind maar wezen (=je zal er maar voor op moeten draaien)
- aan een klein vogeltje past geen grote bek. (=kinderen moeten gehoorzamen)
- in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
- voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
- wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
- neem je hoed niet af voordat je gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
- zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
- je kunt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=men moet goed voor het personeel zijn.)
- nakaarten heeft geen zin (=men moet niet doorgaan met zeuren over iets dat al geweest is)
- als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
- waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
- elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
- de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
- wie staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
- dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
- een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
- praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
- harde noten kraken (=moeilijke tijden moeten doormaken)
- een bril op de neus krijgen (=moeten gehoorzamen aan iemand)
- niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
- hoge nood hebben (=naar de wc moeten)
- er staat een beer aan het hek te rammelen. (=naar het toilet moeten)
- aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
- elk schot is geen eendvogel (=niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol)
- het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
- je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander)
50 dialectgezegden bevatten `oet`
- krieg oet (=uitnodiging om iets te drinken of te eten te nemen) (Heitsers)
- Krieg oet (=Neem iets van het lekkers dat op tafel staat) (Hunsels)
- maën paaëp es oët (=ik ben uitgeput) (Winksels)
- Me Gèn d'r e gat oèt (=We gaan vlug vooruit / We maken snelheid) (Rillaars)
- mee ten oet rondgoan (=een omhaling doen (bedelend)) (Kaprijks)
- Mien' t zoit d' r oet as dei van oin potje (=Een kale hebben) (Gronings)
- Mit hood, sjtek en rink d'r óp oet goeë. (WT) (=Chique op stap gaan) (Mechels (NL))
- neet alle wieze kómme oet ‘t oeëste (=overal zijn slimme en domme mensen) (Heitsers)
- neet onder de veut oët kinne (=Je draai niet kunnen vinden) (Venloos)
- neet väöl oet de weik wasse (=niet veel uitvoeren) (Heitsers)
- Nen barakkemaan of Dauënen komt oët en boskosje (=Iemand die slordig gekleed is) (Liedekerks)
- nen ont mè nen oet op (=eender wie) (Meers)
- not: Zijn'n èirem es oët d'n not (=Zijn arm is ontwricht) (Lebbeeks)
- nou zekt mich de stoof oêt (=nu breekt mijn klomp) (Overpelts)
- oe is 't me je? oet een bitje goat! (=Hoe maak je het? Het kan nogal erdoor!) (Veurns)
- oeëg: Ik schrieë mei 'n oeëg oët as da nik kein (=Het zou me veel leed doen als dat niet kan) (Lebbeeks)
- oep 't goe val 't oët (=lukraak) (Winksels)
- oet de bloate kop (=uit het hoofd) (Berg en Terblijts)
- Oët de bloemkoeële kome (=Waar een baby vandaan komt (tegen kleine kinderen)) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- oet de blote kop (=uit het blote hoofd) (Twents)
- oet de bokse (=naar de wc voor ontlasting) (Twents)
- oet de kiek (=fluitje van een cent) (Twents)
- oet de kuul koume (=tevoorschijn komen) (Mestreechs)
- oêt de naas vraete (=niks doen (lui zijn ) ) (Sevenums)
- oet de ouw doeës. (WT) (=Uit de oude doos) (Mechels (NL))
- oet de schrangen lopen (=In het honderd lopen) (Drents)
- oet den aek dreije (=voor elkaar krijgen) (Venloos)
- oet en ternao (=tot vervelens toe) (Weerts)
- oet goald'n korenoarn skeup God de leu oet 't west'n, en oet 't kaf en de rest'n de Twentse. (=Uit het gouden korenaren schiep God de mensen uit het westen, en uit het kaf en de resten de Twentsen.) (Twents)
- oet joen mulle! (=zwijg!) (Lauws)
- oet ter ou van (=pas er van op) (Brakels)
- oët tzaat getrokken (=duur betaald) (Moorsel)
- Oët ze vel springe (=Kwaad reageren) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- oet zienen droum zeen (=gerust gesteld zijn) (Bocholts)
- oët: Der ni aun oët gerauken (=Het er moeilijk mee hebben) (Lebbeeks)
- ont: Nen ont mé nen oet op (=Om het even wie) (Lebbeeks)
- op körfkeszunjig moge ze oet vrieje (=met de zondag van halfvasten mocht men weer even op het vrijerspad) (Heitsers)
- petatte: A petatte kommen oët (=Je hebt een gat in je sokken) (Lebbeeks)
- Purtje oet zien gehing gehöf (=Poortje uit de scharnieren getild) (Roermonds)
- schèt toch oêt (=hou toch op) (Overpelts)
- schieën: Vé oët te schieën viel da nog mee (=Uiteindelijk viel het nog mee) (Lebbeeks)
- Sjei oet mèt rawwele (=Hou op met mopperen) (Gelaens (Geleens))
- Stèltj neet oet tot mörge waat gae vandaag door ' nen angere kóntj laote doon! (=Stel niet uit tot morgen wat je vandaag door een andere kan laten doen!) (Kinroois)
- twieë krejje pikke zich gein ouch oet (=twee gelijkgestemden doen elkaar geen schade aan) (Weerts)
- ut hangt mich gans de babbelaar oet, 't hink mich fies 't schoss oes, 't hink mich vies de kèl oet (=het hangt me zwaar de nek uit (ik heb er genoeg van)) (Limburgs)
- V'r hoeele de kaoeter mit waoeter oet de kaonjel van 't taoek van de noetaoris op de sjtaoesie (=We halen de kater met water uit de dakgoot van het dak van de notaris op het station) (Eesjdens)
- vall'n: Op 't goe vall'n oët (=Willekeurig, onvoorbereid) (Lebbeeks)
- vel: Oët zij' vel springen (=Heel kwaad zijn) (Lebbeeks)
- veur de zêge de kèrrek oet (=afgebroken copulatie) (Berg en Terblijts)
- Veur ut zinge de kerk oët gaon (=Niet mogen klaarkomen) (Venloos)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen