107 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Ich`
- wie zijn ogen sluit, waant zIch in Rome (=als je de realiteit negeert, ben je niet bewust van wat er werkelijk gaande is.)
- ze staat in haar eigen lIcht (=ze is trots op zichzelf)
- zIch de kaas niet van het brood laten eten (=opkomen voor iets)
- zIch gedragen als een baars (=zeer onhandig zijn)
- zo dIcht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
- zo dIcht als een zeef. (=spottend gezegd van iets met veel zwakke plekken)
- zo snel als het lIcht (=heel snel)
329 betekenissen bevatten `Ich`
- beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zIch laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
- het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dIcht op elkaar)
- het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezIcht te lezen dat hij een schurk is)
- wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlIchten als hij dat niet wil)
- in iemands vel steken (=het lIchamelijke lot van iemand anders ondervinden)
- geen graten in iets vinden (=het niet erg vinden, zIch er niet aan storen)
- door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zIch heen laten gaan)
- je eigen graf graven/delven (=het voor zIchzelf bederven)
- je eigen glazen ingooien (=het voor zIchzelf bederven)
- het oog van de meester maakt het paard vet (=het werk gebeurt beter als de baas toezIcht houdt)
- ter harte nemen (=het zIch aantrekken)
- er lak aan hebben (=het zIch helemaal niet aantrekken)
- oude kerken hebben duistere glazen. (=het zIcht wordt minder als je ouder wordt)
- het is hem (hoog) in de bol geslagen. (=hij voelt zIch ver boven anderen verheven)
- er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zIch al over het minste op)
- ieder trekt aan zijn streng (=ieder kiest voor zIchzelf)
- elk vogeltje zingt zoals het gebekt is (=ieder laat zIch uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden)
- ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zIch afvragen of hij zelf schuldig is)
- ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zIchzelf)
- iemand op het matje roepen (=iemand bij zIch laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
- een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zIch bijna nooit ergens mee bemoeit)
- als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zIch snel belachelijk)
- een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zIch er maar op voorbereiden)
- een held op sokken (=iemand die zIch dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
- een hennentaster (=iemand die zIch druk maakt om ongelegde eieren)
- een gladde vogel (=iemand die zIch overal weet uit te redden op slinkse wijze)
- iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzIcht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
- iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzIcht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
- iemand de ogen openen (=iemand inzIcht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
- iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plIcht wijzen)
- iemand een oor aannaaien (=iemand oplIchten)
- appels voor citroenen verkopen (=iemand oplIchten.)
- de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zIch te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
- iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezIcht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
- iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zIch alles moeten laten welgevallen))
- iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zIch nemen)
- er als een berg tegen opzien (=iets voor zIchzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
- een kluwtje dat vanzelf afloopt. (=iets wat zIch vanzelf oplost)
- ik zoek het paard, maar ik zit erop. (=iets zoeken waar je heel dIchtbij bent)
- moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar niet als het me verplIcht wordt)
- iemands licht betimmeren (=in de weg staan - het lIcht benemen)
- aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zIch aan te passen)
- geen strobreed in de weg leggen (=in geen enkel opzIcht hinderen)
- in het vizier hebben (=in het oog hebben, binnen het gezIchtsveld zijn)
- geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezIcht zien of hij een goed karakter heeft)
- het gelaat is de spiegel der ziel. (=je kan aan iemands` gezIcht zien of hij een goed karakter heeft)
- hooi als de zon schijnt (=je moet de gelegenheid gebruiken als die zIch voordoet)
- wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzIchtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
- ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zIch wendt)
- het hoofd koel houden (=kalm blijven, zIch niet door de spanning laten meeslepen)
50 dialectgezegden bevatten `Ich`
- Dat gon Ich dIch nèt a gen naás hange (=Dat zal ik jóu niet vertellen) (nijswillers)
- dat gon Ich oech nau ës deftig eksplikiëre (=ik zal u dat eens fatsoenlijk uitleggen) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat hëb Ich dan nog tegoed (=niets te danken!) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat hèt mIch gepak, Ich bèn der onnersteboëve van (=dat heeft me aangegrepen, ik ben er de kluts van kwijt) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dat huur Ich neet (=Dat hoor ik niet) (Limburgs)
- dat kan Ich nie vër mën ooge laaje (=dat kan ik niet voor me verdragen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dat kèn Ich neet lieje! (=Daar ben ik allergisch voor 2) (Steins)
- dat kin Ich allang, dassën aofgezaog lidsje (=begin weer niet opnieuw !) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat kin Ich op me deimke (=dat ken ik van buiten) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat kraajg Ich nie dër mën stroeët (=dat is niet te vreten!) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dat moag Ich neet höbbe. (=Daar ben ik allergisch voor.) (Steins)
- dat pak Ich tIch kojëlëk (=dat neem ik je kwalijk) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat staek Ich èn menen hoële tand (=ik krijg zo weinig eten) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat vêrkë wol Ich waol ës wasse (=die smeerlap wil ik wel eens mores leren) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dat wil Ich gezaát ha (=Het is maar dat je het weet) (nijswillers)
- dat wol Ich gezaag hëbbe (='t is maar dat je het weet en onthoudt) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat zèt Ich tIch oppë blaedsje (=beloofd !) (Munsterbilzen - Minsters)
- de bès ët nie wiëd dat Ich ook mér éé woëd aoën dIch vaul maok (=je bent mijn aandacht niet waard) (Munsterbilzen - Minsters)
- de höbs malsjaos as Ich tIch tësse lIch en doenkel tiëgekoëm (=ik hoop je met valavond niet tegen te komen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de joenges blinke en de mètskes stinke (of zèg Ich et umgekeird) (=jongens zijn netter dan de meisjes (of is het omgekeerd) ) (Munsterbilzen - Minsters)
- de maus twei kër roje wae Ich onderwaege nog ès gezien höb (=raad eens wie ik daarstraks nog ben tegengekome) (Munsterbilzen - Minsters)
- de petakke stoawn al skoewn ma Ich móet ze nog húuge (=De aardappelen staan al hoog maar ik moet ze nog aanaarden, ophogen) (Walshoutems)
- de plis zaag tieëge de fitsër : kom tër ès aof, mennêke, dat Ich tIch trop zèt (=de politie-agent zei tegen de fietser (in overtreding) : kom eens van je fiets af, ik ga je op de bon zetten)) (Munsterbilzen - Minsters)
- de vrolaaj konne mIch vërrèkke, Ich hën zelf wol twei haan vërr te trèkke (=snuggere mannen hebben niemand nodig) (Munsterbilzen - Minsters)
- dees reis betaal Ich (=dit keer betaal ik (bijv. bij een rondje)) (Heitsers)
- dem höb Ich de pies lauw gemaak (=ik heb hem flink de waarheid gezegd) (Roermonds)
- den derde keir dat Ich vër ët zinge de kërk autgoeng, moch Ich nimei bènne en dan bèn Ich noë ën aander kërk op zik gegon (=toen ik me de derde keer terugtrok, mocht ik niet meer binnen en ben ik op zoek gegaan naar een andere) (Munsterbilzen - Minsters)
- det hem Ich gekregen van ine die sliep (=stelen) (Achels)
- det huiw Ich mIch in miene geelis (=dat eet ik me helemaal smaakvol op) (Opglabbeeks)
- det stêk Ich in miene holle tant (=dat is te weinig eten) (Opglabbeeks)
- det wil Ich zeen, zag de blinje (=iets doen waarvan je al van tevoren weet dat het onmogelijk is) (Heitsers)
- dfoeë verstoeën Ich geen loët van (=ik versta er geen letter van) (Munsterbilzen - Minsters)
- dIch zies ze vliege, geleef Ich (=je bent niet goed wijs, geloof ik) (Munsterbilzen - Minsters)
- dIch zits op zen lui petatte en Ich zit haaj mèr te vrietele (=jij zit op je luie K terwijl ik me dood werk) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dizze minsj koosj Ich al langer. (=Deze man kende ik al eerder.) (Geuls)
- doa höb Ich 't neet zoea stief op (=daar ben ik een beetje bang voor) (Steins)
- doa kan Ich inkuume (=begrijpen) (Opglabbeeks)
- doa stoan Ich van te kieke (=zIch verwonderen) (Opglabbeeks)
- doa stoan Ich van te kieke (=daar sta ik van te kijken) (Bocholts)
- doa wil Ich ok eens met mijne stek in keuteren (=daar wil ik met mijn stok in peuteren) (Diesters)
- Doa wor Ich hoorendul van! (=Daar word ik zot van.) (Overpelts)
- Doa wur Ich ummelig vaan (=Daar word ik duizelig van) (Neerpelts)
- doar goan men hoare van regt stoan; da doen Ich in men broek veur (=daar ben ik bang voor) (Diesters)
- doë bèn Ich aster daud vür (=daat heb ik een geweldige schrik voor) (Bilzers)
- doë bèn Ich heileg van iëvertaajg (=daar durf ik mijn hand voor in het vuur steken) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë ben Ich heilegans nie mèt opgezat (te) (=dat moet ik hier niet hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë bèn Ich heilegans nie mèt opgezatte (=daar houd ik helemaal niet van) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë bèn Ich nie fël sjiëtëg op (=ik ben er niet erg op gesteld) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë bén Ich nie met opgezatte (=dat staat me niet aan) (Bilzers)
- doë bèn Ich nie mèt opgezatte (=daar ben ik niet blij om) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen