Spreekwoorden met `Ich`

Zoek


107 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Ich`

  1. wie zijn ogen sluit, waant zIch in Rome (=als je de realiteit negeert, ben je niet bewust van wat er werkelijk gaande is.)
  2. ze staat in haar eigen lIcht (=ze is trots op zichzelf)
  3. zIch de kaas niet van het brood laten eten (=opkomen voor iets)
  4. zIch gedragen als een baars (=zeer onhandig zijn)
  5. zo dIcht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
  6. zo dIcht als een zeef. (=spottend gezegd van iets met veel zwakke plekken)
  7. zo snel als het lIcht (=heel snel)

329 betekenissen bevatten `Ich`

  1. beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zIch laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  2. het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dIcht op elkaar)
  3. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezIcht te lezen dat hij een schurk is)
  4. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlIchten als hij dat niet wil)
  5. in iemands vel steken (=het lIchamelijke lot van iemand anders ondervinden)
  6. geen graten in iets vinden (=het niet erg vinden, zIch er niet aan storen)
  7. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zIch heen laten gaan)
  8. je eigen graf graven/delven (=het voor zIchzelf bederven)
  9. je eigen glazen ingooien (=het voor zIchzelf bederven)
  10. het oog van de meester maakt het paard vet (=het werk gebeurt beter als de baas toezIcht houdt)
  11. ter harte nemen (=het zIch aantrekken)
  12. er lak aan hebben (=het zIch helemaal niet aantrekken)
  13. oude kerken hebben duistere glazen. (=het zIcht wordt minder als je ouder wordt)
  14. het is hem (hoog) in de bol geslagen. (=hij voelt zIch ver boven anderen verheven)
  15. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zIch al over het minste op)
  16. ieder trekt aan zijn streng (=ieder kiest voor zIchzelf)
  17. elk vogeltje zingt zoals het gebekt is (=ieder laat zIch uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden)
  18. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zIch afvragen of hij zelf schuldig is)
  19. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zIchzelf)
  20. iemand op het matje roepen (=iemand bij zIch laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
  21. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zIch bijna nooit ergens mee bemoeit)
  22. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zIch snel belachelijk)
  23. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zIch er maar op voorbereiden)
  24. een held op sokken (=iemand die zIch dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  25. een hennentaster (=iemand die zIch druk maakt om ongelegde eieren)
  26. een gladde vogel (=iemand die zIch overal weet uit te redden op slinkse wijze)
  27. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzIcht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  28. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzIcht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  29. iemand de ogen openen (=iemand inzIcht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
  30. iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plIcht wijzen)
  31. iemand een oor aannaaien (=iemand oplIchten)
  32. appels voor citroenen verkopen (=iemand oplIchten.)
  33. de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zIch te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
  34. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezIcht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  35. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zIch alles moeten laten welgevallen))
  36. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zIch nemen)
  37. er als een berg tegen opzien (=iets voor zIchzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  38. een kluwtje dat vanzelf afloopt. (=iets wat zIch vanzelf oplost)
  39. ik zoek het paard, maar ik zit erop. (=iets zoeken waar je heel dIchtbij bent)
  40. moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar niet als het me verplIcht wordt)
  41. iemands licht betimmeren (=in de weg staan - het lIcht benemen)
  42. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zIch aan te passen)
  43. geen strobreed in de weg leggen (=in geen enkel opzIcht hinderen)
  44. in het vizier hebben (=in het oog hebben, binnen het gezIchtsveld zijn)
  45. geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezIcht zien of hij een goed karakter heeft)
  46. het gelaat is de spiegel der ziel. (=je kan aan iemands` gezIcht zien of hij een goed karakter heeft)
  47. hooi als de zon schijnt (=je moet de gelegenheid gebruiken als die zIch voordoet)
  48. wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzIchtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
  49. ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zIch wendt)
  50. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zIch niet door de spanning laten meeslepen)

50 dialectgezegden bevatten `Ich`

  1. Dat gon Ich dIch nèt a gen naás hange (=Dat zal ik jóu niet vertellen) (nijswillers)
  2. dat gon Ich oech nau ës deftig eksplikiëre (=ik zal u dat eens fatsoenlijk uitleggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. dat hëb Ich dan nog tegoed (=niets te danken!) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. dat hèt mIch gepak, Ich bèn der onnersteboëve van (=dat heeft me aangegrepen, ik ben er de kluts van kwijt) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. Dat huur Ich neet (=Dat hoor ik niet) (Limburgs)
  6. dat kan Ich nie vër mën ooge laaje (=dat kan ik niet voor me verdragen) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. Dat kèn Ich neet lieje! (=Daar ben ik allergisch voor 2) (Steins)
  8. dat kin Ich allang, dassën aofgezaog lidsje (=begin weer niet opnieuw !) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. dat kin Ich op me deimke (=dat ken ik van buiten) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. dat kraajg Ich nie dër mën stroeët (=dat is niet te vreten!) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. Dat moag Ich neet höbbe. (=Daar ben ik allergisch voor.) (Steins)
  12. dat pak Ich tIch kojëlëk (=dat neem ik je kwalijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. dat staek Ich èn menen hoële tand (=ik krijg zo weinig eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. dat vêrkë wol Ich waol ës wasse (=die smeerlap wil ik wel eens mores leren) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. Dat wil Ich gezaát ha (=Het is maar dat je het weet) (nijswillers)
  16. dat wol Ich gezaag hëbbe (='t is maar dat je het weet en onthoudt) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. dat zèt Ich tIch oppë blaedsje (=beloofd !) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. de bès ët nie wiëd dat Ich ook mér éé woëd aoën dIch vaul maok (=je bent mijn aandacht niet waard) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. de höbs malsjaos as Ich tIch tësse lIch en doenkel tiëgekoëm (=ik hoop je met valavond niet tegen te komen) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. de joenges blinke en de mètskes stinke (of zèg Ich et umgekeird) (=jongens zijn netter dan de meisjes (of is het omgekeerd) ) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. de maus twei kër roje wae Ich onderwaege nog ès gezien höb (=raad eens wie ik daarstraks nog ben tegengekome) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. de petakke stoawn al skoewn ma Ich móet ze nog húuge (=De aardappelen staan al hoog maar ik moet ze nog aanaarden, ophogen) (Walshoutems)
  23. de plis zaag tieëge de fitsër : kom tër ès aof, mennêke, dat Ich tIch trop zèt (=de politie-agent zei tegen de fietser (in overtreding) : kom eens van je fiets af, ik ga je op de bon zetten)) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. de vrolaaj konne mIch vërrèkke, Ich hën zelf wol twei haan vërr te trèkke (=snuggere mannen hebben niemand nodig) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. dees reis betaal Ich (=dit keer betaal ik (bijv. bij een rondje)) (Heitsers)
  26. dem höb Ich de pies lauw gemaak (=ik heb hem flink de waarheid gezegd) (Roermonds)
  27. den derde keir dat Ich vër ët zinge de kërk autgoeng, moch Ich nimei bènne en dan bèn Ich noë ën aander kërk op zik gegon (=toen ik me de derde keer terugtrok, mocht ik niet meer binnen en ben ik op zoek gegaan naar een andere) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. det hem Ich gekregen van ine die sliep (=stelen) (Achels)
  29. det huiw Ich mIch in miene geelis (=dat eet ik me helemaal smaakvol op) (Opglabbeeks)
  30. det stêk Ich in miene holle tant (=dat is te weinig eten) (Opglabbeeks)
  31. det wil Ich zeen, zag de blinje (=iets doen waarvan je al van tevoren weet dat het onmogelijk is) (Heitsers)
  32. dfoeë verstoeën Ich geen loët van (=ik versta er geen letter van) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. dIch zies ze vliege, geleef Ich (=je bent niet goed wijs, geloof ik) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. dIch zits op zen lui petatte en Ich zit haaj mèr te vrietele (=jij zit op je luie K terwijl ik me dood werk) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. Dizze minsj koosj Ich al langer. (=Deze man kende ik al eerder.) (Geuls)
  36. doa höb Ich 't neet zoea stief op (=daar ben ik een beetje bang voor) (Steins)
  37. doa kan Ich inkuume (=begrijpen) (Opglabbeeks)
  38. doa stoan Ich van te kieke (=zIch verwonderen) (Opglabbeeks)
  39. doa stoan Ich van te kieke (=daar sta ik van te kijken) (Bocholts)
  40. doa wil Ich ok eens met mijne stek in keuteren (=daar wil ik met mijn stok in peuteren) (Diesters)
  41. Doa wor Ich hoorendul van! (=Daar word ik zot van.) (Overpelts)
  42. Doa wur Ich ummelig vaan (=Daar word ik duizelig van) (Neerpelts)
  43. doar goan men hoare van regt stoan; da doen Ich in men broek veur (=daar ben ik bang voor) (Diesters)
  44. doë bèn Ich aster daud vür (=daat heb ik een geweldige schrik voor) (Bilzers)
  45. doë bèn Ich heileg van iëvertaajg (=daar durf ik mijn hand voor in het vuur steken) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. doë ben Ich heilegans nie mèt opgezat (te) (=dat moet ik hier niet hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. doë bèn Ich heilegans nie mèt opgezatte (=daar houd ik helemaal niet van) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. doë bèn Ich nie fël sjiëtëg op (=ik ben er niet erg op gesteld) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. doë bén Ich nie met opgezatte (=dat staat me niet aan) (Bilzers)
  50. doë bèn Ich nie mèt opgezatte (=daar ben ik niet blij om) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen