Spreekwoorden met `tot`

Zoek


54 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tot`

  1. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  2. wachten tot je een ons weegt (=onmogelijk lang wachten)
  3. wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  4. wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)

113 betekenissen bevatten `tot`

  1. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  2. wie pleit om een paard, behoudt de staart. (=je kunt beter wat toegeven, dan het tot een duur en langslepende kwestie te laten komen)
  3. je kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  4. ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zich wendt)
  5. voor de draad ermee (=kom tot de kern van het verhaal.)
  6. als een feniks uit de as herrijzen (=na de totale vernietiging opnieuw opbouwen)
  7. voor geen geld ter wereld (=niet bereid zijn tot iets, hoeveel er ook voor geboden wordt)
  8. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  9. een paard dat stormt en een meisje dat wil trouwen zijn niet tegen te houwen. (=niet tot iets anders te bewegen)
  10. geen zoden aan de dijk brengen/zetten (=niets bijdragen tot)
  11. ledigheid is des duivels oorkussen (=niets te doen hebben leidt tot misdaden)
  12. een veer van zijn mond kunnen blazen (=nog niet totaal uitgeput zijn)
  13. iemand doodpraten (=op iemand blijven inpraten tot hij versuft van raakt)
  14. wie niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  15. er een eind/punt aan breien (=snel tot een afsluiting komen (bijvoorbeeld van een toespraak))
  16. op het gijpen liggen (=stervend of totaal buiten adem zijn)
  17. stilstand is achteruitgang. (=stil blijven staan ​​leidt tot relatieve achteruitgang ten opzichte van anderen die vooruitgang boeken)
  18. last van vliegen hebben (=stotteren)
  19. gunst/winst baart nijd. (=succes leidt tot jaloezie)
  20. aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
  21. ad hoc negotium (=tot deze zaak behorend)
  22. tot in lengte van dagen (=tot het einde der tijden)
  23. tot de tanden gewapend (=tot het uiterste bewapend)
  24. in geuren en kleuren (=tot in de fijnste details)
  25. tot in de puntjes (=tot in het kleinste detail)
  26. van de naald tot de draad (=tot in het kleinste detail)
  27. van naald tot draad (=tot in het kleinste detail)
  28. ad infinitum (=tot in het oneindige)
  29. ad calendas graecas (=tot in het oneindige uitstellen)
  30. op het schild verheffen (=tot leider maken)
  31. ad majorem dei gloriam (=tot meerdere eer van God)
  32. ad fundum (=tot op de bodem)
  33. stoom afblazen (=tot rust komen)
  34. aan zijn snoer rijgen (=tot volgeling maken)
  35. de mond snoeren (=tot zwijgen brengen)
  36. sap noch kracht hebben (=totaal geen waarde hebben)
  37. rozengeur en maneschijn (=totaal geluk)
  38. het niet meer hebben (=totaal in verwarring geraken - van de kook zijn)
  39. geen droge draad aan het lijf hebben (=totaal nat geregend zijn (soms ook : door en door bezweet))
  40. geen touw aan vast te knopen (=totaal onbegrijpelijk)
  41. het vijfde rad/wiel aan de wagen (=totaal overbodig, ongewenst)
  42. zo rot als een mispel (=totaal rot (bedorven))
  43. leven als een vis in het water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  44. als een snoek op zolder (=totaal uit zijn element)
  45. man met de hamer tegenkomen (=totaal uitgeput geraken)
  46. uit de lijken geslagen (=totaal van zijn stuk gebracht)
  47. goed voor de schroothoop (=totaal verloren)
  48. naar de bar(re)biesjes gaan (=totaal verloren gaan zonder dat er iets van overblijft (bijv. een schip dat vergaat))
  49. met de grond gelijk maken (=totaal vernietigen)
  50. larie en apekool (=totale onzin)

50 dialectgezegden bevatten `tot`

  1. dae ès nie min (=hij is tot alles in staat) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. dae haet zich op ‘ne knap geraeje (=hij is ergens tegenaan gereden met zwaar letsel tot gevolg) (Heitsers)
  3. dae hèt goesting tot èn zënen dikke tein (=die hunkert naar....) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. dae loet zich van kop tot tein bezeeke (=hij laat zich helemaal voor de gek houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. Dae neet staeltj of örftj, môt wêrke totte störftj (=een eerlijk mens moet werken tot zijn dood) (Weerts)
  6. dae onthult mér van snoenës tot 12 oere (=hij heeft een kort geheugen) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. dae waertj gedèkseldj, dae kriegtj ze gedèkseldj (=hij kreeg slaag; met woorden tot de orde worden geroepen) (Heitsers)
  8. dae zit tot iëver zën aure èn de mësiëre (=hij weet niet meer van welk hout pijlen te maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. dakan (=dit behoort tot de mogelijkheden) (nieuwmoers)
  10. Dan motte bidde tot Piet, daddut naor oew gat schiet, dan kend'ut uitpoepe. (=Bekijk het maar) (Bredaas)
  11. Dan wens ik oe een fijne dag en tot ziens! Houdoe! (=Dan wens ik je een fijne dag en tot ziens! tot ziens!) (Kerkdriels)
  12. dao kòmme weer waal vaerdig mit (=wij komen wel tot een akkoord) (Steins)
  13. das tan vër de kat hër fiaul (=dat is vergeefse moeite, dient tot niets) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. dat gait deujr van euvigait tot saligait (=dat gaat eeuwig door) (Volendams)
  15. dat gijt deur tot ien lengte van doag'n (=dat gaat zo nog een hele tijd door) (Westerkwartiers)
  16. dat ging as 'n loopmd vuurke (=dat ging heel snel van mond tot mond) (Westerkwartiers)
  17. Dat kimp tot èn m'n kotribbe! (=Dat smaakt mij!) (Bilzers)
  18. dat komt niet uut de vaarf (=dat komt niet tot zijn recht) (Westerkwartiers)
  19. de bès nauts te aad vër get bij te leire (=leren doe je tot je laatste dag) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. de bom is borst'n (=het kwam tot een uitbarsting) (Westerkwartiers)
  21. de dieëre aofgoën (aoflopë) (=van deur tot deur leuren) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. de kaoter kump laoter (=wacht maar tot de alcohol gaat werken) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. Dé kén! (=Dit behoort tot de mogelijkheden!) (Tilburgs)
  24. de kons zelfs ne vès zoelang traetëre totter aut het watter sprink (=de kan gaat zoalng te water tot ze breekt) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. de kruuk blift driev' m totdat ' er knapt (=de kruik gaat zolang te water tot ie barst) (Westerkwartiers)
  26. de leude (=tot ziens, amuseer jullie nog) (Deinzes)
  27. de liegs totste zwat zies (=je liegt tot je zwart ziet) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. de loatste man zijne zak opgeven (=tot de laatste blijven (op een feest) ) (Gavers)
  29. de luuj aafloupe (=van deur tot deur gaan om iets te krijgen) (Steins)
  30. de luuj aafloupe (=van deur tot deur gaan) (Aelsers)
  31. De mazzel (=tot ziens) (Rotterdams)
  32. De moes leire tot z' n vingers aeve lang zin (=Zolang men leeft, leert men) (Bilzers)
  33. de piere uit zijne neus hoale / de strond uit z'n gat vroage. (=iemand tot het uiterste uitvragen) (Brechts)
  34. De wilstech nog joenk vürdoen aste al aad bés, mér dan ésset viël te laot (=Wacht niet tot later met wat je nu nog kan doen) (Bilzers)
  35. den doemp kump ëm aoën zën auren aut (=hij liegt tot hij zwart wordt) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. det deurtj van twellef tot middig (=dat duurt maar even) (Weerts)
  37. die ken onthold'n van twaalf uur tot de middag (=die heeft een geheugen van drie keer niks) (Westerkwartiers)
  38. die motte gij us op z n vesje tuffe (=die moet je eens tot de orde roepen) (Oudenbosch)
  39. diejebbe ze daorus goed bijgewerkt (=die is ernstig tot de orde geroepen) (Oudenbosch)
  40. diejis daor un kirke goed onderaande genome (=die is ernstig tot de orde geroepen) (Oudenbosch)
  41. doe kins wachte toet belaoke paose (=je kan wachten tot sint juttemis) (Roermonds)
  42. doë kraajg ich te zeenëwe van tot èn mënen dikke tein (=dat maakt me heel nerveus) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. doeë bèste vèt mèt (=dat dient tot niets) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. Doo 't haeneg an. (=Doe het kalm aan / tot ziens.) (Aaltens)
  45. droë: tot in d'n droë (=tot later) (Lebbeeks)
  46. dzjakkeleurn teegn da der blijt'dè van komt (=ravotten tot wenens toe) (Aalters)
  47. e ku nog gin puud biechtn (=Hij is tot weinig in staat) (Veurns)
  48. één 't bloed onner de noagels weghoal'n (=iemand tot het uiterste pesten) (Westerkwartiers)
  49. Een (rooie) Rug. Het bankbiljet van 1000 gulden had alleen van 1860 tot 1921 een rode keerzijde (daarna werd die grijs), Echte Utrechters noemen 1000 euro nu ook een rug. (=1000 gulden (later euro)) (Utrechts)
  50. één de mond snoer' n (=iemand tot zwijgen brengen) (Westerkwartiers)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen