Spreekwoorden met `hange`

Zoek


55 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hange`

  1. van leugens aaneenhangen (=altijd maar liegen)
  2. wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? (=wat gebeurt er nu voor iets raars?)
  3. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  4. wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
  5. wie het lang heeft laat het lang hangen (=wie veel geld heeft, kan ook veel geld uitgeven)

50 dialectgezegden bevatten `hange`

  1. de lâmp aanne klok hânge (=zijn mening geven) (Weerts)
  2. de lëps mekan mèt zëne polder doeër zen broek hange (=je broek is helemaal versleten) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. De lip te lang late hange (=Je mond voorbij praten) (betuws)
  4. de meeste eekele hange on ne boom (=hier lopen nogal wat eikels rond!) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. de mismoêd èn krijge; 't lotte hange (=de moed verliezen) (Bilzers)
  6. de moes nie alles aoën de graute klok hange (=sommige dingen vertel je beter niet in het openbaar) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. de nël van de plaotëndraeër blif hangë (=dat is altijd hetzelfde verhaal) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. De ogen vör de kop hèbbe hange (=Erg vermoeid en slaperig zijn) (Genneps)
  9. De velle foor de óge hange (=Gaan slapen) (Texels)
  10. De vent die bier hed uitgevonde mot je krom hange met medallies (=Ik vind bier lekker) (Lopiks)
  11. de wiës bau ze hange (=je kan mijn kl...kussen) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. dich hëbs ze vërstand get leig hange (=je hebt je verstand zeker in de broek steken) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. dich hëbs ze verstand get leig hange (=waar dacht je wel aan toen je met haar in bed dook) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. die hèht de proeme te hoeëg hange (=een blauwtje lopen) (Heldens)
  15. doë hange ijspiegëlë aoën zën naoës (=zijn snotbellen zijn bevroren , er hangen ijspegels aan zijn neus) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. doë zoo ich nog nie vër ë miljoen gesjillerd willen hange (=daar zou ik voor geen geld willen wonen) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. Emes de vot oet hange (=Iemand continu lastig vallen) (Steins)
  18. èn zen vange höbben hange (=zich hebben toegeëigend) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. ët lank loeëte hange (=je geld (te) snel uitgeven) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. ët lank loëten hange (=veel geld uitgeven) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. gaa koejnt er nogal een painsj oan hange (=iemand die druk doet of overdreven in de weer is!) (tervurens)
  22. gae mótj 'm neet alles aan zien naas hânge (=je moet iemand niet alles vertellen) (Weerts)
  23. Ge keunt erroan hange dan hedde 't zwiere verniet. (=Je kunt de boom in.) (Rillaars)
  24. Ge kund'is on mennen tap gaon hange joeng (=Je moet niet denken dat ik dat ga doen, man) (Antwerps)
  25. ge zoet ze soms oan de muur plakke, ge zoe ze sewijle oan den hoak hange (=het zijn stoute kinderen) (Gents)
  26. get aoën de graute klok hangë (=iets gewichtigs openbaar maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. get aon de graute klok hange (=verkondigen aan wie het ook maar wil horen) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. get on de graute klok hange (=de kat de bel aanbinden) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. haat tich bij want dae hèt viël grond on zen haan hange (=trouw maar gauw want hij heeft veel eigendom) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. hae hè zën lip opte grond hange (=hij is triestig, teleurgesteld) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. hae hèt zën lip opte grond hange (=hij is triestig, teleurgesteld) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. hae lit 't hange (=hij geeft de moed op) (Bilzers)
  33. hae zoeg te sjoer al hange (=de blinde hield het voor bekeken) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. hange heb geen haast. (=Haastige spoed is zelden goed.) (Rotterdams)
  35. Hej het de lip hange (=Hij krijgt zijn zin niet) (Huissens)
  36. het aoën de graute klok hangë (=met veel poeha aan iedereen laten weten) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. hët lank en breed lotte hange (=veel geld spenderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. het loëten hange (=de moed verliezen) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. hij heb hem een end uit z'n broek hange (=hij leeft royaal) (Rotterdams)
  40. ich goën ëm mèr aoën de kapstok hangë (=de speeltijd is voorbij) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. ich gonnem on de kapstok hange (=het is ermee gedaan) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. ich zien dich nog nie ëns hange (=daar voel ik niets voor) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. ich zien kristes op ze kreis hange (=ze heeft nogal een open kleedje aan) (Bilzers)
  44. ich zien Kristes op ze kreis hange (=zij heeft een diepe uitsnijding) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. ich zoech te sjoer al hange (=ik zag de bui al hangen) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. Ien wiej z'k hànge (=Onzeker zijn) (Genneps)
  47. iet oan de groeëte klok hange (=iets overal bekend maken) (Winksels)
  48. ij lot et brieëd hange (=grote zwier maken) (Diesters)
  49. Je bedoelt het goed maor je blijft an de pan hange (=Hij probeert de waarheid boven tafel te krijgen / situatie te redden / te bemoeien voor de goeie zaak / Zich om bestwil met iets bemoeien maar komt er slecht van af.) (Utrechts)
  50. Je hange 'm d'r goed in. (=Juist, goed geraden.) (zaans)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen