Spreekwoorden met `aan de`

Zoek


113 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aan de`

  1. als de dagen lengen, gaan de nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  2. als de nood aan de man komt (=als het ernstig wordt)
  3. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  4. als zwijnen aan de bak gaan (=zonder te bidden gaan eten.)
  5. boter aan de galg smeren (=tevergeefse moeite doen, iets zal niet helpen)
  6. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  7. dat mag met een krijtje aan de balk (=dat is een ongewone gebeurtenis)
  8. dat raak je aan de straatstenen niet kwijt (=dat is niet te verkopen)
  9. dat zet geen zoden aan de dijk (=dat is geen bijdrage van serieuze betekenis)
  10. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  11. de bijl ligt al aan de wortel (=de straf zal spoedig volgen)
  12. de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
  13. de hand aan de ploeg slaan (=flink aan het werk gaan)
  14. de harp aan de wilgen hangen (=de bezigheden stopzetten)
  15. de kap aan de haag hangen (=het voor gezien houden)
  16. de lier aan de wilgen hangen (=zijn bezigheden stopzetten)
  17. de mis aan de muur plakken (=niet naar de mis gaan (verzuimen))
  18. de tol aan de natuur betalen (=dood gaan)
  19. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  20. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  21. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  22. er is klei aan de kloet/knikker (=er is iets mis)
  23. er is tuk aan de hengel (=hij heeft beet (krijgt zijn zin))
  24. geen aarde aan de dijk zetten (=niet helpen)
  25. geen been aan de grond krijgen (=voorstel werd niet aangenomen)
  26. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  27. geen kou aan de lucht (=geen gevaar)
  28. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  29. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  30. geen zoden aan de dijk brengen/zetten (=niets bijdragen tot)
  31. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  32. het aan de stok hebben (=ruzie hebben)
  33. het is boter aan de galg gesmeerd (=het is zinloos, het kan niet helpen)
  34. het ligt aan de schaatsen en nooit aan de man. (=men geeft het gereedschap eerder de schuld dan zichzelf)
  35. het met iemand aan de stok hebben/krijgen (=ruzie met elkaar hebben/krijgen)
  36. het vijfde rad/wiel aan de wagen (=totaal overbodig, ongewenst)
  37. het zijn niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen (=over goede mensen worden vaak onaardige dingen verteld)
  38. hij geeft niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=overal voordeel uit halen, ongeacht gevolgen voor anderen)
  39. iemand aan de dijk zetten (=iemand ontslaan)
  40. iemand aan de tand voelen (=op strenge manier ondervragen)
  41. iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
  42. iemand iets aan de hand doen (=iemand een suggestie geven)
  43. iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
  44. iets aan de grote klok hangen (=iets algemeen kenbaar maken)
  45. iets aan de kaak stellen (=bekend maken wat niet in orde is)
  46. iets aan de klokreep hangen (=iets algemeen bekend maken)
  47. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  48. iets aan de man brengen (=iets verkopen)
  49. ik wil hogerop, zei de jongen en hij kwam aan de galg. (=bereik je doel op een eerlijke manier)
  50. je gat aan de poort vegen (=zich nergens zorgen om maken)

50 dialectgezegden bevatten `aan de`

  1. d'r is stront an 'e knikker (=er is wat aan de hand) (Westerkwartiers)
  2. d' Endeklokke luit (=Er is iemand gestorven (te horen aan de klok op de kerk) ) (Avelgems)
  3. Da is nieks genodderd (=Dat brengt geen aarde aan de dijk) (Bevers)
  4. da snaajt geen hoot (=dat verhelpt niets aan de situatie) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. da's bodder aan de galg smeerd (=dat heeft totaal geen enkele zin) (Westerkwartiers)
  6. da's boter aan de galg gesmeerd / baoter an de galleg gesmeërd (=Zinloos, niet doen, zonde energie, vergeefse moeite) (Utrechts)
  7. dae ès aut de hël gekroeëpe terwaajl den dievel sloeëp (=die is aan de duivel ontsnapt, een duiveldjong) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. dae haet wat aan de veut (=iemand met veel geld en bezit) (Venloos)
  9. dae heet aan de krînte gezaete (=iemand met uitslag in het gezicht) (Weerts)
  10. das jeulemaol dur Den Bos (s) eene (=dat is aan de andere kant van Oudenbosch) (Oudenbosch)
  11. das mich ammël get, zaag oos Bet, en zo hô twei jing aoën één T.t (=nu heb ik wat aan de hand, zei Bet, nu hangen er 2 kinderen aan 1 T.t) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. das niks gekot (=breng brengt geen enkele zode aan de dijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. das sjaering en ènslaog (=dat is aan de lopende band hetzelfde liedje) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. Dat is ol gin avaanse (=Dat zet geen zoden aan de dijk) (Veurns)
  15. Dat is ónger de vuit oet (=Dat is aan de kant) (Sittards)
  16. dat komt meddertied wel an bod (=dat komt later wel aan de orde) (Westerkwartiers)
  17. dat snit gien holt (=dat zet geen zoden aan de dijk) (Westerkwartiers)
  18. De baby's aan de kontjes binden en in de wieg schoppen (=De babyroosjes in bosjes doen en in de mand doen) (Boskoops)
  19. De Franse staon aan de grens (=Ongesteld zijn) (Steins)
  20. de goe goan en de slechte blijvn (=zoals de klompen aan de deur) (Knesselaars)
  21. Dè het nog gein nagel om aan de vot te kratse (=hij is straatarm) (Susters)
  22. de iene boer vroagt an den nare boer, wei giet het be oer pjerd me pjerd da giet nie da lupt, en wei lupt oer pjerd oh het giet (=de ene boer vraagt aan de andere boer hoe gaat met Uw paard de boer antwoord mijn paard gaat niet, dat loopt, en hoe loopt Uw paard oh het gaat) (Heusdens)
  23. De koanjel hink oan de corniche (=de afvoer hangt aan de dakgoot) (Tongers)
  24. de loupbóks aan hebbe (=aan de diarree zijn) (Weerts)
  25. De mismood is häör aan 't lief, aan de pens. (=Zij is mismoedig.) (Roermonds)
  26. De motrice van de nonantdeuj es gederailleit op den aiguillage van den avenulouees (=De motorwagen van tram 92 is ontspoord op de wissel aan de Louizalaan) (Brussels)
  27. de stroutn afdwoële me iet / leurn (=rondgaan in de straten om iets aan de man te brengen) (Moorsel)
  28. de viëgel ston viërdeg vër aut te vliege (=hare docolleté laat niets aan de verbeelding over) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. de waereldj is wie ein hoonderkoeëj: die van baove zitte besjiete altied die óngeraan zitte (=mensen aan de top van de hiërarchie kijken neer op degenen onder hen) (Heitsers)
  30. de wal keert 't schip (=er komt vanzelf een einde aan de malaise) (Westerkwartiers)
  31. Dei jòng ligk aan de achtersjte mem (=Die jongen wordt benadeeld) (Amies)
  32. den hòrt op (=op stap gaan, aan de zwier gaan) (Tilburgs)
  33. Der is niks aon de zeis (=Er is niets aan de hand) (Lopiks)
  34. dich hëbs genen tëlëfao naudig! (=je spreekt te luid aan de telefoon!) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. doeë kump de mizieërë aoën de dieër aut (=daar komt de ellende je tegen aan de deur) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. Drie vingers, pink en doim! (=Wat is er aan de hand?) (Zaans)
  37. dür de bot vènsem trëg on de sjinkbank (=doorgaans vind je hem terug aan de toog) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. eder huuske haet zien kruuske (=Bij ieder huishouden is wel wat aan de hand.) (Steins)
  39. Eemes flink aan de kleijer gaon. (=Iemand flink de mantel uitvegen.) (Roermonds)
  40. een pan' ieët woadre opzedn (=water aan de kook brengen) (Kaprijks)
  41. een waffël op ze gezich krijge (=een slag aan de kop krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. één wat aan de haand doen (=iemand een goede tip geven) (Westerkwartiers)
  43. Een waterkieken, of een watergeest (=Inwoner van een dorp aan de overkant van de Schelde) (Antwerps)
  44. ei es uit de koan (=hij is aan de beterhand) (Moes)
  45. Ei'j sket ledder over waang (=Hij is ernstig aan de diarree) (Kampers)
  46. Ein vrouw diej wiltj aafvalle mót mètdoon aan miss-verkezinge. Den heet ze kans det ze al es ieëste aafviltj! (=Een vrouw die wil afvallen moet meedoen aan de miss-verkiezingen. Dan heeft ze kans dat ze reeds als eerste afvalt!) (Kinroois)
  47. Emes aan de baom gaon. (=Iemand in het ootje nemen.) (Gelaens (Geleens))
  48. emus an ziên engd brengen (=iemand verzorgen tot aan de dood) (Sevenums)
  49. en as ’t neet is aeve gooi vrinj (=ook als we het niet eens worden, is er niets aan de hand) (Heitsers)
  50. er angen prekels on de vengsters (=er hangt ijs, buiten aan de ramen) (Sint-Niklaas)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen