102 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Oren`
- iemand de Oren wassen (=iemand zeggen wat die fout gedaan heeft)
- iemand het vel over de Oren halen (=iemand te veel laten betalen)
- iemand iets door de neus bOren (=ervoor zorgen dat iemand iets niet krijgt)
- iemand in zijn eigen vet gaar laten smOren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
- iemand koeien met gouden hOrens beloven (=iets moois beloven maar niet nakomen)
- iemands geluid niet hOren (=niet naar iemand willen luisteren)
- iets in de wieg smOren (=iets van bij het begin vernietigen)
- iets niet tegen/aan dovemans Oren zeggen (=iets wordt erg goed onthouden)
- in de grond bOren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
- in de kerk gebOren zijn (=de deur open laten staan)
- in de kiem smOren (=al van bij het begin doen stoppen)
- in de Oren knopen (=goed onthouden)
- je achter de Oren krabben (=door een onverwachte, zorgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
- je kOren/kOrentje groen eten (=zich geen zorgen maken om de toekomst, niet sparen.)
- je licht niet onder de kOrenmaat zetten (=meespreken, je mening geven en laten merken dat je er iets van weet)
- je Oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
- je Oren niet geloven (=iets wat gezegd wordt, niet kunnen geloven)
- je schaapjes geschOren hebben (=van zijn rente kunnen leven)
- je spOren verdienen (=respect krijgen door goed werk te verrichten)
- je voelhOrens uitsteken (=trachten te achterhalen)
- kaf onder het kOren (=het minder goede onder het goede)
- kleine potjes hebben grote Oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
- koeien met gouden hOrens beloven (=het onmogelijke beloven)
- liever van achteren zien dan van vOren (=niet goed kunnen verdragen)
- mei koel en wak, veel kOren in de zak. (=als het in mei nat en koud is wordt de opbrengst hoog)
- men vindt geen molenaar of hij at gestolen kOren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
- met de helm (op) gebOren zijn (=de toekomst kunnen voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
- met een baksteen in de maag gebOren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
- met twee linkerhanden gebOren zijn (=erg onhandig zijn)
- nog nat(/ niet droog) achter de Oren zijn (=nog uiterst onervaren zijn, zodat men er niet over mee kan praten)
- ogen van achteren en van vOren hebben (=alles goed in de gaten houden)
- onder een gelukkig gesternte gebOren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
- op twee Oren slapen (=je mag gerust zijn)
- oude bokken hebben stijve hOrens (=oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen)
- scOren alsof het warme broodjes zijn (=scoren alsof het helemaal niets is)
- tot over je Oren in het werk zitten (=heel veel werk hebben)
- tot over je Oren verliefd (=heel erg verliefd)
- van vOren niet weten dat je van achteren leeft (=erg dom zijn)
- van vOren niet weten of men van achteren leeft (=erg dom zijn / erg ziek zijn)
- voor dovemans Oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)
- wat de boer aan het kOren verliest zal hij aan het spek wel terugvinden (=waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
- wie niet hOren wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
- wie tapt die moet bOren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
- wie tot een penning gebOren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
- wie voor een dubbeltje gebOren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
- wie voor het oortje gebOren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
- ziende blind en hOrende doof zijn (=slechte dingen niet willen zien en horen)
- zijn zeis in een anders kOren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)
- zo koud als een kaalgeschOren schaap (=heel erg koud)
- zo onschuldig als een pasgebOren kind (=zeer onschuldig)
67 betekenissen bevatten `Oren`
- achter de puttings overboord vallen (=reddeloos verlOren zijn)
- scoren alsof het warme broodjes zijn (=scOren alsof het helemaal niets is)
- ziende blind en horende doof zijn (=slechte dingen niet willen zien en hOren)
- voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen hOren)
- te veel pannen op het dak (=te veel die het kunnen hOren)
- ad hoc negotium (=tot deze zaak behOrend)
- goed voor de schroothoop (=totaal verlOren)
- naar de bar(re)biesjes gaan (=totaal verlOren gaan zonder dat er iets van overblijft (bijv. een schip dat vergaat))
- de mond roeren (=van zich laten hOren, spreken)
- de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verlOren was, is teruggevonden)
- het ene oor in en het andere weer uit. (=wel hOren maar niet luisteren)
- wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf hOren)
- wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse gebOren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
- wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk gebOren is, hoeft geen geluk te verwachten)
- schot en lot betalen (=zijn burgerplicht naar behOren vervullen)
- je partij behoorlijk meeblazen (=zijn deel van de taak naar behOren uitvoeren)
- zo komt het kalfje weer bij zijn moer (=zo komt wat verlOren was weer in orde)
35 dialectgezegden bevatten `Oren`
- iemes zene kop tëssen twei aure zètte (=iemand met zijn Oren trekken) (Munsterbilzen - Minsters)
- ing gedekseld kriehge (=draai om de Oren krijgen) (Heerlens)
- jeet oîrn lik talloîrn (=hij heeft grote Oren) (kortemarks)
- kallen ès zaeë, lijstëre ès oogste (=je hebt 2 Oren maar slechts één mond) (Munsterbilzen - Minsters)
- knup et in aa oeëre (=knoop het in je Oren) (Winksels)
- koak-smeet-kirmesse (=een draai rond je Oren) (Deinzes)
- kzou ou ies een klets tegen au oere geve (=ik zou eens een klap tegen uw Oren geven) (Temses)
- lap rond ui ooër'n krij'n (=klap om de Oren krijgen) (Waregems)
- Mich toete de oare (=Mijn Oren tuiten) (Gelaens (Geleens))
- mot tege aa oeére (=klets tegen uw Oren) (Wiekevorsts)
- nan pata tegen a oeiren (=een slag tegen uw Oren) (Nijlens)
- ne Furrel (=Een draai om de Oren) (Sint-Gillis-Waas)
- oere wei blaffetiere (=grote Oren) (Genker)
- pielooërn (=de Oren spitsen) (Veurns)
- Ruk je Oren op! (=Ga eens wat doen!) (Lopiks)
- seffës kraajgste ën goej watsj rond zën aure (=moet je een draai om je Oren hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- staek dich dat mer in dien tesj (=knoop dat maar goed in je Oren) (Steins)
- stopt a juërn ! (=bescherm je Oren ! (tegen lawaai)) (Kaprijks)
- t smaer löppem autte aure (=hij moet zonodig zijn vuile Oren eens poetsen) (Munsterbilzen - Minsters)
- t'noverstekop (=tot over zijn Oren) (Knesselaars)
- talloeër' n: Oeër' n gelèk talloeër' n (=Grote Oren) (Lebbeeks)
- tieëgë iemëd zën aure fêtsë (=iemand rond de Oren slaan) (Munsterbilzen - Minsters)
- ueren gelijk talueren (=grote Oren) (Lokers)
- um ene an'rek'n- striekerd an de oor'n doon. (=Hem om de Oren slaan) (Twents)
- va zannen tak moaken (=van zijn Oren maken) (Giesbaargs)
- van ôren noch pôten deughen (=voor niets deugen) (Hulsters (NL))
- van zaën keust moake (=van zijn Oren maken) (Winksels)
- veel ô zèn Oren ein (=veel werk (last) hebben) (Sint-Niklaas)
- vieëme (=rond de Oren slaan) (venloos)
- Woeë hegke zeen, zeen auch mösse (=Kleine potjes hebben grote Oren) (Weerts)
- Wol i-j ne ziege um de aorne, za'k ow 's un watjekou gevven? (=zal ik je een draai om de Oren geven) (achterhoeks)
- Zal ik ow de kop 'ns tussen twee oorn zetten? (=Zal ik je het hoofd eens tussen twee Oren zetten? (grappig bedoelde opmerking om een kind te jennen)) (Aaltens)
- ziege um de aorne gevven (=draai om de Oren geven) (Achterhoeks)
- zis goe vurzien van Oren è poten (=ze is goed gebouwd) (Sint-Niklaas)
- zit zau nie te semmëlë (=zaag zo niet aan mijn Oren !) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen