Spreekwoorden met `roo`

Zoek


104 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `roo`

  1. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  2. als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  3. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  4. altijd brood eten verdriet ook. (=een mens wil ook eens een verzetje.)
  5. avondrood, mooi weer aan boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  6. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  7. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  8. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  9. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  10. boter op je hoofd smeren en droog brood eten. (=in de war zijn.)
  11. broodnodig (=onmisbaar)
  12. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  13. daar lusten de honden geen brood van. (=het is volstrekt onacceptabel)
  14. dat zijn aambeien met slagroom (=dat heeft niets met elkaar te maken)
  15. de broodkorf hoger hangen. (=bezuinigen)
  16. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  17. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
  18. de een z`n dood is een ander z`n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  19. de kaas niet van het brood laten eten (=de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  20. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  21. de kroon op het werk zetten (=het werk prachtig voltooien)
  22. de kroon spannen (=het hoogtepunt vormen)
  23. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z`n brood)
  24. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  25. de mens zal bij brood alleen niet leven. (=een mens heeft niet alleen lichamelijke maar ook geestelijke behoeftes.)
  26. de rook kan het hangerijzer niet deren (=het heeft geen zin te proberen iets dat vast staat te veranderen)
  27. de room is er af. (=er is weinig meer aan te verdienen)
  28. droog brood eten (=zuinig moeten zijn, financieel slecht gaan)
  29. een broodje aap (=een verzonnen verhaal dat als waarheid wordt verspreid.)
  30. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  31. een kruimeltje is ook brood (=wees gelukkig met wat je hebt)
  32. een profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  33. er geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  34. er is geen rooi mee te schieten (=je kan er niets mee aanvangen)
  35. geen groot licht zijn (=niet al te slim zijn)
  36. geen rooie cent waard (=waardeloos)
  37. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  38. genadebrood eten (=door anderen onderhouden worden)
  39. goed voor de schroothoop (=totaal verloren)
  40. groot bal op kleine aardappelen (=boven zijn stand leven)
  41. handen in de schoot geeft geen brood. (=als je niets doet verdien je ook niets)
  42. het beste brood ligt voor het venster. (=wat je ziet is niet per se wat je krijgt)
  43. het eet geen brood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud)
  44. het einde kroont het werk (=het werk is pas goed gedaan als het klaar is)
  45. het grootste mirakel duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
  46. het houdt geen rooi (=het gaat de perken te buiten)
  47. het is geen roofgoed (=het heeft veel geld (of moeite) gekost)
  48. het wierookvat zwaaien (=lof toezwaaien)
  49. hij droomt van schol maar eet graag platvis (=hij verwacht te veel)
  50. hoog en droog (=veilig en wel)

67 betekenissen bevatten `roo`

  1. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  2. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))
  3. dat is er een uit de arke noachs (=dat is er een uit een groot gezin)
  4. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  5. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  6. ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
  7. het hinkende paard komt achteraan (=de grootste problemen houdt men voor het laatst)
  8. de druk is van ketel (=de grootste spanning is voorbij)
  9. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  10. er dik in zitten (=de kans is groot dat het zo is)
  11. het middel is erger dan de kwaal (=de oplossing veroorzaakt nog meer schade)
  12. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
  13. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  14. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  15. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  16. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  17. je in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  18. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  19. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  20. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  21. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  22. een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
  23. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
  24. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z`n brood)
  25. zo rood als een kreeft (=een rode kleur hebben. (kreeft wordt knalrood tijdens het koken))
  26. doekje voor het bloeden (=een schrale troost, of een ontoereikende, slechts symbolische maatregel)
  27. de lont in het kruit steken/werpen (=een uitbarsting veroorzaken)
  28. magnum opus (=een zeer groot werk)
  29. bij de vleet (=er is meer dan voldoende van (vleet was vroeger een groot visnet))
  30. uit de kluiten gewassen zijn (=erg stevig en groot zijn)
  31. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden)
  32. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  33. in de waagschaal stellen (=groot risico nemen)
  34. het schip ingaan (=groot risico nemen, leidend tot verlies)
  35. visserslatijn (=grootspraak)
  36. dood en verderf zaaien (=grote schade of vernietiging veroorzaken.)
  37. op een strowis komen aandrijven (=helemaal berooid en arm ergens komen)
  38. de rijpste pruimen zijn geschud (=het belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  39. het leeuwendeel van iets krijgen (=het grootste aandeel van iets krijgen)
  40. je vel duur verkopen (=het slechts onder de grootste druk opgeven)
  41. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  42. wie het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  43. vurige kolen op iemands hoofd stapelen (=iemand een groot schuldgevoel geven door hem onverdiende lof of vriendelijkheid te geven.)
  44. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  45. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  46. een pleister op de wonde leggen (=iets troostends aanbieden)
  47. zo veeg als een luis op een kam (=in groot gevaar verkerend)
  48. het water komt aan/tot de lippen (=in groot gevaar, in hoge nood)
  49. op grote schaal (=in het groot , zeer veel voorkomend)
  50. haring bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door de haringloggers werd/wordt gebruikt.))

9 dialectgezegden bevatten `roo`

  1. De roo luip in de portemenee höbbe (=Op zwart zaad zitten) (Sittards)
  2. de Russen zijn in Paris / tante Marie is up bezoek / de roo vlagge angt uut (=de maandstonden hebben) (West-Vlaams)
  3. de Russen zin doar....de roo vlag stikt uit, (=ze heeft haar maandregels) (Sint-Niklaas)
  4. èn de roo zin (=zwarte nagelringen hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. én de roo zin (=vuile nagels hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. hae ès èn de roo (=hij heeft vuil onder zijn nagels) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. hoenger mok roo baune ziet (=als je honger hebt, lust je alles) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. vër wae drigste nau wir roo (=voor wie draag je nu weer rauw-zwarte kledij-...doe dat vuil vanonder je nagels) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. zeéd ur regels ; de roo vlag stikt uit ; de Russen zin dor (=menstrueren) (Sint-Niklaas)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen