Spreekwoorden met `CHA`

Zoek


73 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `CHA`

  1. aan de sCHArrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  2. als de herder dwaalt dolen de sCHApen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  3. als er één sCHAap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  4. baat het niet, sCHAadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  5. bang zijn voor zijn eigen sCHAduw (=overdreven bang zijn)
  6. CHApeau bas spelen (=onderdanig zijn)
  7. daar hangt de sCHAar uit (=men is daar niet te vertrouwen)
  8. dat sCHAap zal een zachte dood nemen. (=het wordt vergeten)
  9. de bokken van de sCHApen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  10. de een scheert sCHApen, de ander varkens (=het is ongelijk verdeeld in de wereld)
  11. de klok luiden maar niet sCHAften (=wel beloven maar niet doen)
  12. de ontbrekende sCHAkel (=iets dat nog mist om iets compleet te maken)
  13. de sCHApen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  14. de sCHApen van de bokken scheiden (=het goede van het slechte scheiden)
  15. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste sCHAkel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  16. de viersCHAar spannen. (=een rechtzitting houden. (vierschaar = middeleeuws gerechtelijk bestuur))
  17. door sCHAde en sCHAnde wordt men wijs (=een mens leert het beste van z`n fouten)
  18. een blind paard zou er geen sCHAde doen (=een armoedig interieur)
  19. een ketting is niet sterker dan de zwakste sCHAkel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  20. een kind om een boodsCHAp sturen. (=niet de juiste persoon iets op laten lossen)
  21. een rare sCHAats rijden (=zich raar aanstellen, lichtzinnig leven)
  22. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te sCHAnd (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  23. een scheve sCHAats rijden (=een misstap begaan. Een morele regel overtreden)
  24. een schurftig sCHAap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  25. een stofje aan een weegsCHAal zijn (=iets erg onbelangrijks zijn)
  26. een visje versCHAlken (=een kleinigheid meepikken)
  27. een vreemde sCHAats rijden (=zich raar aanstellen)
  28. een wolf in de sCHAapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  29. een wolf in sCHAapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  30. er gaan veel makke sCHApen in een hok (=met inschikkelijke mensen is meer mogelijk)
  31. eten wat de pot sCHAft. (=eten wat op tafel komt.)
  32. geen boodsCHAp aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
  33. geen licht zonder sCHAduw (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)
  34. getelde sCHApen lopen het hok uit. (=exact alles van tevoren weten)
  35. gewicht in de sCHAal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
  36. goed gereedsCHAp hangt onder een afdak. (=ik ben wel te dik maar mijn ‘gereedschap` (de penis) werkt nog goed.)
  37. goed gereedsCHAp is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  38. gouden appels op zilveren sCHAlen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  39. het laken door het oog van de sCHAar halen. (=een deel voor jezelf houden.)
  40. het ligt aan de sCHAatsen en nooit aan de man. (=men geeft het gereedschap eerder de schuld dan zichzelf)
  41. het verloren sCHAap (zijn) (=de gezochte (zijn))
  42. het zwarte sCHAap van de familie (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  43. iemand om een boodsCHAp sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
  44. iets door het oog van de sCHAar halen (=materiaal van op het werk voor jezelf houden / Jezelf oneerlijk zaken toe-eigenen)
  45. in de sCHAduw stellen (=het beter doen dan een ander, iemand overtreffen)
  46. in de waagsCHAal stellen (=groot risico nemen)
  47. in iemands sCHAduw staan (=niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt)
  48. je de ogen uit het hoofd sCHAmen (=erg beschaamd zijn)
  49. je leven in de waagsCHAal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  50. je sCHAapjes geschoren hebben (=van zijn rente kunnen leven)

81 betekenissen bevatten `CHA`

  1. de oude mens afleggen (=(en de nieuwe aantrekken) een nieuw leven beginnen - betersCHAp beloven)
  2. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendsCHAppen en relaties)
  3. hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigensCHAppen)
  4. de grond onder zich voelen wegzinken (=besCHAamd zijn , geen oplossing meer zien)
  5. lege kisten, maken twisten. (=bij sCHAarste onstaat ruzie)
  6. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van sCHAamte))
  7. door de wol geverfd zijn (=brutaal , sCHAamteloos zijn)
  8. zoden aan de dijk zetten (=daadwerkelijk hulp versCHAffen)
  9. dat maakt van Jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een sCHAnddaad)
  10. het beste paard van stal (=de belangrijkste persoon in het gezelsCHAp)
  11. goede papieren hebben (=de goede eigensCHAppen hebben (voor een baan))
  12. de mug uitzuigen en de kameel doorzwelgen (=de onschuldige straffen en zelf sCHAamteloos zondigen)
  13. het middel is erger dan de kwaal (=de oplossing veroorzaakt nog meer sCHAde)
  14. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te sCHAtten)
  15. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van sCHAde moet de situatie zelf rechtzetten.)
  16. het kind van de rekening (=degene die sCHAde lijdt, terwijl anderen niets hebben)
  17. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet ondersCHAt worden)
  18. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen sCHAde)
  19. de lever doen schudden (=doen sCHAterlachen)
  20. zoet gedronken, zuur betaald. (=drankmisbruik kan veel sCHAde aanrichten)
  21. paradepaard (=een bezit, eigensCHAp, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  22. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en sCHAmen))
  23. een beerput opentrekken (=een geheim onthullen of sCHAndalen blootleggen.)
  24. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote sCHAde leiden)
  25. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te sCHAnde maken)
  26. de mens zal bij brood alleen niet leven. (=een mens heeft niet alleen liCHAmelijke maar ook geestelijke behoeftes.)
  27. een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmansCHAp)
  28. de vierschaar spannen. (=een rechtzitting houden. (viersCHAar = middeleeuws gerechtelijk bestuur))
  29. op het verkeerde paard wedden (=een verkeerde insCHAtting maken)
  30. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen (=eigen bezit besCHAdigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  31. er komt een dominee voorbij (=er valt een plotselinge stilte in een rumoerig gezelsCHAp)
  32. er een lelijke pijp aan roken (=er veel sCHAde van ondervinden)
  33. je de ogen uit het hoofd schamen (=erg besCHAamd zijn)
  34. er de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onsCHAdelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
  35. wat goed eet, schijt goed. (=gezond eten laat het liCHAam goed functioneren.)
  36. dood en verderf zaaien (=grote sCHAde of vernietiging veroorzaken.)
  37. de keel kost veel (=herhaalde dronkensCHAp leidt tot armoede)
  38. het is een Spaans bordeel. (=het is een CHAotische wanorde)
  39. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te sCHAden, dan te verkrijgen)
  40. het is bij de (wilde) beesten af (=het is verschrikkelijk; het is sCHAndalig)
  41. in iemands vel steken (=het liCHAmelijke lot van iemand anders ondervinden)
  42. de kop van jut (=het slachtoffer, het zwarte sCHAap)
  43. het is onbestaanbaar. (=het zou niet mogen bestaan, het is een sCHAnde)
  44. het krullen van de staart is het fatsoen van de hond. (=iedereen heeft wel een positieve eigensCHAp)
  45. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te sCHAnde maken)
  46. iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon besCHAmend is)
  47. geen groter venijn, dan vriend tonen en vijand zijn. (=iemands vertrouwen sCHAden is het gemeenste wat je kunt doen)
  48. goed gereedschap hangt onder een afdak. (=ik ben wel te dik maar mijn ‘gereedsCHAp` (de penis) werkt nog goed.)
  49. en petit comité (=in een klein genootsCHAp, in het geheim)
  50. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeensCHAp winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen