• overstag raken (=de wind van voren krijgen) • overstag gaan (=na aandringen/lang er mee wachten toegeven) • met iemand niet willen oversteken (=niet in iemands plaats willen zijn) • je handen overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen) • je hand overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen) Toon alle 6 spreekwoorden die overs bevatten