Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mal`

  1. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  2. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  3. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)
  4. ergens niet om malen. (=iets onbelangrijk vinden.)
  5. honi soit qui mal y pense (=schande over hem die er kwaad over denkt)
  6. iemand in de maling nemen (=iemand voor de gek houden)
  7. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er altijd maar over blijven praten)
  8. mal moertje mal kindje (=als de moeder teveel toegeeft zal het kind niet deugen)
  9. maling aan iets of iemand hebben (=ergens niets van aantrekken)
  10. maling hebben aan (=er zich niets van aantrekken)
  11. malletje naar malletje (=op precies dezelfde wijze herhaald)
  12. oud mal gaat bovenal (=hoe ouder hoe gekker)
  13. tussen mal en dwaas zijn (=de bakvisleeftijd hebben)
  14. zo fijn als gemalen poppenstront. (=zeer streng rechtzinnig)

8 betekenissen bevatten `mal`

  1. het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
  2. ergens kaas aan hebben (=er maling aan hebben)
  3. van het padje af zijn. (=in de war zijn, malende / prettig gestoord zijn.)
  4. de brui hebben aan (=maling hebben aan)
  5. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  6. met kunst- en vliegwerk. (=niet volgens de normale gang van zaken.)
  7. voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten (=tegen minimale kosten maximaal voordeel verlangen.)
  8. leven als vrienden en rekenen als vijanden. (=vriendelijk met elkaar omgaan uit een soort van formaliteit maar eigenlijk helemaal niet zo op elkaar gesteld zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 70 spreekwoorden met `mal`

  1. Diesters: malchans (=geen geluk)
  2. Kaatsheuvels: ik zei zo zat als een schup (=ik ben zo zat als een maleier)
  3. Gelaens (Geleens): Zoa zaat zeen wie 'ne maleijer. (=Straalbezopen zijn.)
  4. Marine jargon (veelal Maleis): naaiwerk zoeken (=passagieren)
  5. Marine jargon (veelal Maleis): baas kajoe (=timmerman)
  6. Maldegems: tjèle (=bord)
  7. Maldegems: beuzn (=schommelen)
  8. Maldegems: Mielekéj! (=Amai!)
  9. Marine jargon (veelal Maleis): sneetje vastwerken (=boterham om 16.00.)
  10. Marine jargon (veelal Maleis): eerst voorschaften, nu ketelaar (=meisje in verwachting)
  11. Marine jargon (veelal Maleis): de wal op gaan (=naar huis gaan)
  12. Marine jargon (veelal Maleis): boka palu (houtenbek) (=iets misslopen)
  13. Maldegems: jet a boale ge'ed (=hij is rijk)
  14. Maldegems: iets eutveugln (=iets uitzoeken)
  15. Maldegems: kpejzut (=ik denk het)
  16. Maldegems: schenteventen (=vandalenstreken uihalen)
  17. Maldegems: hangt oe bakeus (=zwijg)
  18. Maldegems: daje (=dat jij)
  19. Marine jargon (veelal Maleis): Awas tjet baru (=Pas op pas geverfd)
  20. Marine jargon (veelal Maleis): Mijn pader hij hollander, mijn moeder hij indische jongen. (=Zegt Rufi:)
  21. Marine jargon (veelal Maleis): tempo dulu (=goeie ouwe tijd)
  22. Marine jargon (veelal Maleis): vierkant werk maken (=je werk afronden)
  23. Maldegems: ritte zitn (=blut zijn)
  24. Maldegems: schaep zonder wille (=onnozel wicht)
  25. Maldegems: verdestleweren (=Schade aanrichten)
  26. Maldegems: een ne kloot afdraain (=iemand een hak zetten)
  27. Maldegems: meun klwoot´n (=ik ga niet akkoord)
  28. Maldegems: Joagedoet (=ja, jij doet dat toch wel.)
  29. Maldegems: eutleggen en peetjes tekenen (=ongeloofwaardige excuses verzinnen)
  30. Maldegems: wa isda mee o muille (=wat is er met jou)
  31. Maldegems: eigen rechtsweirs (=neven en nichten)
  32. Maldegems: Fiete is gekleed (=Alles is klaar)
  33. Maldegems: dadander (=het andere)
  34. Maldegems: de deur vermoaken (=De deur op slot doen)
  35. Maldegems: nen oasoart doen (=een buitengewoon goede koop doen)
  36. Maldegems: keken leek nen eul op ne kleut (=verbaasd kijken)
  37. Maldegems: zever in zakskes verkoopm (=uit zijn nek kletsen)
  38. Maldegems: de deure vermoakn (=de deur op slot doen)
  39. Maldegems: den eul eutangn (=domme dingen doen)
  40. Maldegems: vanessentent (=over heel de lengte)
  41. Maldegems: der t scheut van kreegen (=iets niet langer kunnen verdragen)
  42. Maldegems: 't zit een zweun in de bjeten (=er is iets gaande)
  43. Maldegems: van toetn noch blaazn weten (=geen idee hebben)
  44. Maldegems: scheufke dees (=het loodje leggen)
  45. Maldegems: ie angdugu omwoagu (=hij hing omhoog)
  46. Maldegems: ge dif gi nogn ende (=je durft nogal)
  47. Maldegems: koant gezejd! (=ik had het gezegd!)
  48. Maldegems: Veuf euzdren veuzen (=Vijf ijzeren vijzen)
  49. Maldegems: kgoa 't mij nie affeturen (=Ik ga het mij niet riskeren)
  50. Zeeuws: bi j noe hlad besuukert (=ben je mal)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen