106 betekenissen bevatten `geld`
- een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)
- het hieltje van de ham kluiven (=zijn laatste geld opmaken)
- ieder dubbeltje drie keer omdraaien (=zo gehecht zijn aan geld dat men aarzelt bij iedere uitgave)
- geen geld, geen Zwitsers (=zonder geld krijg je hulp noch koopwaar of er is altijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen)
50 dialectgezegden bevatten `geld`
- dae snaej good aaf (=hij was gul; hij gaf veel geld weg) (Heitsers)
- dae stik alle geld lengs zën batsen aof (=hij geeft weinig uit) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae verzwaarsdje zien hieël geldj inne café (=hij smeet zijn geld over de balk in het café) (Heitsers)
- Dao es geîne oeëlie in de lâmp (=Er is geen geld meer) (Weerts)
- dao is geine olie in de lâmp (=er is geen geld meer) (Weerts)
- dao kintj de sjouw neet van blieve rouke (=daarmee kun je geen geld verdienen) (Heitsers)
- dao mós se neet de roebedoeb mèt spele (=daar moet je rustig aan mee doen; je moet op je geld letten) (Heitsers)
- daor kunde beter un paor biefstukke vor in de plek ete (=dat is weggegooid geld) (Oudenbosch)
- daoreetie ne dot geld aon overgouwe (=daar heeft hij flink aan verdiend) (Oudenbosch)
- daoris nun noop geld mee gemoeid (=dat is duurder dan je denkt) (Oudenbosch)
- das 'n rib aut më lijf (=dat kost me een pak geld) (Munsterbilzen - Minsters)
- das a malo (=het geld is binnen) (Munsterbilzen - Minsters)
- das ne meuleneer (=die zit op zijn geld) (Oudenbosch)
- dat geet kneep koste (=dat gaat veel geld kosten) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat geet poenke-poenke koste (=dat gaat veel geld kosten) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat is gin geld (=dat is niet duur) (Veurns)
- Dat ken bruintje niet trekken / Kep niks in de knip / het niks, zit zonde / blut (=Het geld is op) (Utrechts)
- dat kos klauwe geldj (=dat is erg duur, dat kost handenvol geld) (Steins)
- De bés pas ech aat aste kaase mej gon koste aste gatoo! (=oud-zijn kost veel geld) (Bilzers)
- de beuze oeden (=het geld beheren) (Veurns)
- de cent'n drubbel'n binn'n (=het geld komt langzaam binnen) (Westerkwartiers)
- de cent'n glied'n heur deur de vingers (=zij kan niet met geld omgaan) (Westerkwartiers)
- de duvel schaijt aeltijd op de grôte hoop (=De grootste rijke rotzakken hebben het meeste geluk in het leven en vangen nog meer geld dan nodig is: vangen het meeste geld.) (Utrechts)
- De duvel schet vaeke op iene bulte (=Wie al veel geld heeft wint ook nog eens de lotto) (Giethoorns)
- de duvel schit altied op de dikste bult'n (=wie geld heeft krijgt er nog meer bij) (Westerkwartiers)
- de gëbrojde haoën authange (=onverantwoord veel geld uitgeven aan eten en drinken) (Munsterbilzen - Minsters)
- de gebrojën haon authange (=kwistig met geld omspringen) (Munsterbilzen - Minsters)
- De groeëte Jan oëthangë (=Veel geld uitgeven) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- de groeve baeje (=in de buurt van de overledene diens dood melden en tegelijkertijd geld vragen voor een buurtkroon) (Munsterbilzen - Minsters)
- de gruute Jan uithange (=verteren, geld opmaken) (Gents)
- de kraaigs waor noë ze geld (=voor wat hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)
- de kraajgs van mich gene roje sent (=je krijgt van mij geen geld) (Munsterbilzen - Minsters)
- De luiber hef zien veren net zo hard neudig as een muske. (=Iedereen heeft geld nodig) (Drents)
- de meus ligge vur de kast kapot (=er is geen geld / niks te eten) (Gemerts)
- de moeër' en de buk en van 't geld (=Heel rijk zijn) (Veurns)
- de moes den ene betaole en den aandre geld gaeve (=je moet altijd maar klaarstaan met je portemonnee) (Munsterbilzen - Minsters)
- De os is nog niet vet (=Je hebt nog niet genoeg geld) (brabants)
- de ouge aop of de bujel (=goed opletten anders kost het geld) (Heitsers)
- de paster prik gieën twieë kieër vur 't zelde geld (=Een beetje vervelend dat ik het nog eens moet herhalen) (Wichels)
- De polis stelt na een onderziek in eomda ze 't goe megeloëk vinge data geld me krimineel zokes te moken heet (=De politie stelt een onderzoek in, omdat zij het niet onwaarschijnlijk acht dat het geld te maken heeft met een criminele activiteit) (Holsbeeks)
- de roav'm zall'n dij gien stuut breng'n (=je moet wat doen voor je geld) (Westerkwartiers)
- de sjoo moet altijd doempe (=er moet altijd geld in voorraad zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- de vaulste vèrke willen et sjünste stroj (=luieriken willen evenveel geld verdienen als bezige bijen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de weelt kump tich aon zën auren aut (=je kan goed zien dat je veel geld hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wilde is e kwao bieèste (=het is niet gemakkelijk om met veel geld om te gaan) (kortemarks)
- deen ei gene naugel veu on zen gat te krabbe (=hij heeft geen geld) (Bornems)
- den duvel scheit altijd op de grote hoop (=die veel geld heeft, krijgt nog meer geld) (Hoogstraats)
- den duvel schit alt op de groetsten oûp (=het geld wil altijd bij dezelfde zijn) (Sint-Niklaas)
- den snut ze (=Veel geld eruit halen) (Genneps)
- der geld uut slon (=winst maken) (Veurns)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen