Spreekwoorden met `alles`

Zoek




113 betekenissen bevatten `alles`

  1. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  2. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  3. heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  4. steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
  5. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  6. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  7. als een spin in het web (=de persoon of organisatie waar alles om draait)
  8. de wrijfpaal zijn (=de schuld krijgen (van alles))
  9. wie schrijft, die blijft. (=documenteer alles goed voor je eigen bestwil)
  10. alles wat los en vast is (=echt alles)
  11. de beer is los (=er gebeurt opeens van alles; er ontstaat ruzie of paniek)
  12. met tijd en stond, gaat men de wereld rond. (=er is een juiste tijd is voor alles en sommige dingen hebben tijd nodig)
  13. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  14. hemel en aarde bewegen (=ergens alles aan doen om het gedaan te krijgen (bv van iemand))
  15. goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
  16. getelde schapen lopen het hok uit. (=exact alles van tevoren weten)
  17. steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
  18. lest best (=het beste van alles komt op het einde)
  19. zo lang er leven is, is er hoop (=hoe slecht het ook staat, zolang nog niet alles verloren is, kan alles nog goed komen)
  20. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
  21. iemands bloed wel kunnen drinken (=iemand niet mogen en daardoor alles doen om die persoon te hinderen)
  22. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  23. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  24. je mag wel alles eten, maar niet alles weten. (=ik hoef je niet alles te vertellen.)
  25. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  26. door dik en dun (=in goede en slechte tijden / alles overhebben voor iemand)
  27. je met hand en tand verzetten (=je  heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
  28. je bedje is gespreid (=je komt in een situatie terecht waarin alles al voor je geregeld is)
  29. allemans neus is geen kapstok. (=je moet niet alles aan iedereen vertellen.)
  30. waar geen vis is, is haring ook vis (=je moet voor alles moeite doen)
  31. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  32. wie staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  33. met man en muis (=met alles en iedereen)
  34. met bed en bult (=met alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan)
  35. voor geld kun je de duivel doen dansen (=met geld kun je alles gedaan krijgen)
  36. met een goed geloof en een kurken ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
  37. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  38. geen water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  39. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  40. alle havens schutten geen wind (=niet alles levert een voordeel op)
  41. ik ben Sinterklaas niet (=niet alles voor niks doen)
  42. de krant brengt de leugens in het land. (=niet alles wat de media schrijft klopt.)
  43. een slag om de arm houden (=niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn)
  44. elk schot is geen eendvogel (=niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol)
  45. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  46. met twee maten meten (=niet voor alles of iedereen even streng zijn)
  47. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  48. voor zijn roodkoperen zijn (=oud Haags voor: alles is piekfijn in orde)
  49. het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
  50. prijs de dag niet voor het avond is (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)

50 dialectgezegden bevatten `alles`

  1. al oe poer verschooten 'en (=alles opgebruikt hebben) (Maldegems)
  2. al overende zetten (=alles verplaatsen, er een warboel van maken) (Wetters)
  3. al trautpitse (=alles er uit halen) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. al vèèrig, lót goeën dèèn trein (=alles ingesteld, laten we gaan) (Genker)
  5. Alexaander, alles veur maai en niks veur een aander (=wordt gezegd tegen een egoist) (Antwerps)
  6. Alexander, alles vur mè mor niets vur een ander (=tegen een egoist ...zegt men:) (Sint-Niklaas)
  7. alexandre is alles viuër me in niet viuër een andre (=tegen een gierigaard) (Kaprijks)
  8. all's good, good te passe (=alles goed) (Twents)
  9. Alle koeien hooi (als vraag) (=Iedereen van alles voorzien (als vraag)) (Volendams)
  10. alle proemn in n drek (=alles gaat verkeerd) (Twents)
  11. allemel tegoeër (=alles samen) (Meers)
  12. alles autte kas haole (=met volle inzet) (Bilzers)
  13. alles ba'ieën skeiren (=armoedig leven) (Meers)
  14. alles deur 'n anner hen (=alles door elkaar heen) (Westerkwartiers)
  15. alles drèdde èn de puree (=de kok maakte er een potje van) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. alles ès mér ne wiët (=als je alles weet, is het leven gemakkelijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. alles geit behalve puine begrave, en sneuk verzoepe (=dat is onmogelijk werk) (Heitsers)
  18. alles geit, mer ein slek kruuptj (=een vete die (te) lang doorgaat) (Heitsers)
  19. alles goe in wel (=alles in orde) (Zelzaats)
  20. alles goe? (=alles goed?) (brabants)
  21. alles goed jongen / aal goud mienjong (=alles goed jongen) (Gronings)
  22. alles haet ein inj, mer ein worst haet d’r twieë (=niets bestaat voor altijd; alles is eindig) (Heitsers)
  23. alles hef 'n êane, maor 'n wos hef ter tweeë. (=alles heeft een einde, maar een worst heeft er twee.) (Sallands)
  24. alles ien 't lood (=alles oké) (Westerkwartiers)
  25. alles ien ' t honnerd joag' n (=alles in de war sturen) (Westerkwartiers)
  26. alles is in dun oak mè mij (=alles is in orde met mij) (Sint-Niklaas)
  27. alles is kuis opgegaon (=er is niets overgebleven) (Oudenbosch)
  28. alles is moar 'n wiet (=als men iets weet is het niet ingewikkeld) (Westerkwartiers)
  29. alles kan, behalve eine naakse mins inne tes pisse (=alles is mogelijk) (Heitsers)
  30. alles kits en de bok vet (=alles is goed) (Westerkwartiers)
  31. alles kromtrokken (=alles krom getrokken) (Twents)
  32. alles kup aut al moete de kraeën autbringe (=niets blijft verborgen) (Bilzers)
  33. alles laag doar ien 't honnerd (=het was daar één grote puinhoop) (Westerkwartiers)
  34. alles lekker, pik? Hoe is het wijfie? (=Hoe gaat het met jou?) (Amsterdams)
  35. alles lijt doar enter en twenter deur 'n kanner (=alles ligt daar doorelkaar) (Westerkwartiers)
  36. alles mètsjare wat nie te heet of te zwaur ès (=pikken) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. alles mit maote`, zee de snieder, en sleug zien vrouwe mit de ellestok (=Niet te veel en niet te weinig) (Giethoorns)
  38. alles mit maote,zee de snieder en sleug zien vrouwe mit de ellestok (=Een ellestok is dun en geeft minder pijn maar straft wel) (Giethoorns)
  39. alles noavenant, as boter op de vloajka-nt (=Zeer royaal doen) (Zurriks)
  40. alles noë de kl....helpe (=alles naar de verdoemenis helpen) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. alles op 't spel zett'n (=alle risico's nemen) (Westerkwartiers)
  42. alles op aore en snaore zette (=alles doen om te bewerkstelligen) (Oudenbosch)
  43. alles op één koart zett'n (=alles op één ding inzetten) (Westerkwartiers)
  44. alles op hoar'n en snoar'n zett'n (=al het mogelijke doen) (Westerkwartiers)
  45. alles op z'n effen leigen (=alles op orde leggen) (Bevers)
  46. alles op zieëne tieëd en bokeskook in de herfst (=weerspreuk) (Weerts)
  47. alles op zienen tied en boekende koe.k ien d' n herfst (=alles op zijn tijd) (Genneps)
  48. alles opeten mè oren en poten (=alles opeten) (Sint-Niklaas)
  49. alles opfretten (=alles ongegeneerd opeten) (Sint-Niklaas)
  50. alles oppen heepke (=alles wel beschouwd) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen