zagen

werkw.
Uitspraak:  zaxə(n)]
Vervoegingen:  zaagde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gezaagd (volt.deelw.)

1) met een zaag in stukken verdelen
Voorbeeld:  `een houten plank doormidden zagen`

2) op een vervelende toon steeds min of meer dezelfde vraag of klacht herhalen
Voorbeeld:  `Ze begonnen direct terug over geld te zagen.`
Synoniem:  zeuren

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
doorzagen knorren krassen ronken snorren zeuren

Intensiveringen
Hoe kun je zagen krachtiger uitdrukken?
iemand de oren van zijn kop zagen;

8 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik zaagde, heb gezaagd), met eene zaag doorsnijden, - verdeelen; [figuurlijk] slecht op de vio...
  2. in stukken verdelen door met een zaag heen en weer te gaan vb: hij zaagt een stuk van de plank
  3. • [ov] in stukken delen door middel van een zaag. • [inerg] op vervelende wijze spreken, zeuren.
  4. 1) Bewerking van hout 2) Doe-het-zelf klus 3) Doorsnijden 4) Doorzagen 5) Fiedelen 6) Hebben en hadden timmrlieden op hun netvlies 7) Hout behandelen 8) Hout bewerken 9) ...
  5. [Vlaamse woorden] zeuren (VDB)
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op zagen:
bandzagenbeugelzagenbezagenboomzagencirkelzagendecoupeerzagenfineerzagenhandzagenherzagenijzerzageninzagenkapzagenkettingzagenlintzagenmetaalzagenmotorzagenontzagenoverzagenafzagenvoorzagen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
zagen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `zagen` kennen.