de wiek

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [wik]
Verbuigingen:  wiek|en (meerv.)

1) elk van de uitstekende bladen van een windmolen die draaien als de wind waait
Voorbeeld:  `De meeste windturbines hebben drie wieken.`

2) vleugel
op eigen wieken  (zelfstandig en onafhankelijk van je ouders)
in je wiek geschoten zijn  (geïrriteerd zijn)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
pit vlerk vleugel

Spreekwoorden en zegswijzen
• op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)
• in zijn wiek geschoten zijn (=zich beledigd voelen)
Naar de spreekwoorden

11 definities op Encyclo
  1. elk van de balken met latwerk die aan een molen draaien vb: een molen heeft vier wieken
  2. Zijkanaal in het Veenkoloniale landschap
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-en), vlerk, vleugel; deel van een molen; pluksel voor eene wond; middel om te stelpen (bloed enz.); lemmet, pit (eener lamp); [fig...
  4. Wiek is een Nederlandse jongensnaam. Het betekent `Strijder om een buit`.
  5. vleugel van het vliegend wild. Op de wieken komen, gaan: opvliegen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met wiek:
wiekenwiektwiektewiekten

Deze woorden eindigen op wiek:
klapwiekkortwiekkwiekleewiekmolenwiekwentelwiek

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. wiek (lemmet)
  2. wiek (pluksel, vleugel)
  3. wiek = wikke (plant)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 97% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `wiek`.