voorspellen

werkw.
Uitspraak:  [vor'spɛlə(n)]
Vervoegingen:  voorspelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft voorspeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

van tevoren zeggen wat er gaat gebeuren
Voorbeelden:  `iemand de toekomst voorspellen`,
`Ik voorspel je dat hij het daar geen week uithoudt.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beloven profeteren verwachten wichelen

5 definities op Encyclo
  1. zeggen dat het gaat gebeuren vb: de weerman voorspelt regen dat voorspelt niet veel goeds [dat betekent narigheid]
  2. Met de regressiecoëfficiënten van de regressielijn waarden van de afhankelijk variabele, Y, berekenen gegeven nieuwe waarden van de onafhankelijk variabele, x.
  3. •trachten iets te weten te komen over de toestand van een iets of iemand, op basis ervaring. •aangeven: in de betekenissen: •*deze voortekens voorspellen slecht nie...
  4. 1) Aankondigen 2) Augureren 3) Beduiden 4) Beloven 5) Doen verwachten 6) Orakelen 7) Prediceren 8) Profeteren 9) Spellen 10) Verwachten 11) Voorzeggen 12) Waarzeggen 13) ...
  5. profeteren Jaar van herkomst: 1330 (MNW )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
voorspellen (profeteren)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `voorspellen` kennen.