voorliggen

werkw.
Uitspraak:  ['vorlɪxə(n)]
Vervoegingen:  lag voor (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft voorgelegen (volt.deelw.)

1) behandeld worden
Voorbeeld:  `het voorliggende wetsontwerp`

2) voorsprong hebben op iets of iemand
Voorbeelden:  `voorliggen op schema`,
`Niet veel voorliggen op de andere renners.`

© Kernerman Dictionaries.

1 definitie op Encyclo
  1. Een bepaalde koers (streek van het kompas) varen: "Welke koers ligt dat schip voor?".
Toon uitgebreidere definities