uitknijpen

werkw.
Uitspraak:  ['œytknɛipə(n)]
Vervoegingen:  kneep uit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft uitgeknepen (volt.deelw.)

1) knijpend leegmaken
Voorbeelden:  `een puistje uitknijpen`,
`een tube tandpasta uitknijpen`

2) zo veel mogelijk voordeel uit iemand halen ten koste van die persoon
Voorbeeld:  `Het regime knijpt de bevolking uit om zelf rijk te worden.`
Synoniemen:  uitpersen, uitbuiten

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
doodgaan ertussenuit gaan leeghalen leegknijpen plunderen uitdrukken uitpersen uitzuigen

Intensiveringen
Hoe kun je uitknijpen krachtiger uitdrukken?
uitknijpen als een citroen;