sukkelen

werkw.
Uitspraak:  ['sʏkɛlə(n)]
Vervoegingen:  sukkelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gesukkeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) problemen hebben met (iets), ook gezondheidsproblemen hebben
Voorbeelden:  `sukkelen met je gezondheid`,
`sukkelen met een blessure`,
`Een jaar geleden is hij gaan sukkelen, moest steeds overgeven, werd broodmager en nu is hij dood.`,
`sukkelen met je hond zindelijk maken`
Synoniem:  tobben (2)

2) langzaam en sloom lopen
Voorbeeld:  `De oude hond had geen zin en sukkelde naar huis.`
Synoniem:  sloffen

3) op een onhandige manier ergens terechtkomen
Voorbeeld:  `Twee auto's sukkelden de sloot in.`

4)
in slaap sukkelen  (langzaam in slaap vallen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
sjokken

4 definities op Encyclo
  1. vaak ziek zijn of last van je gezondheid hebben vb: opa sukkelt nogal de laatste tijd langzaam en moeilijk vooruitkomen vb: oma sukkelde naar huis achter haar rollator
  2. • [inerg] kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  3. 1) Aanhoudend ziek zijn 2) Dutsen 3) Heuken 4) In de war zitten 5) Kramakkelen 6) Kwakkelen 7) Kwelen 8) Kwijnen 9) Laboreren 10) Martelen 11) Schaffelen 12) Sjokken 13) ...
  4. ziekelijk zijn Jaar van herkomst: 1350 (MNW )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
sukkelen (ziekelijk zijn)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `sukkelen` kennen.