spreiden

werkw.
Uitspraak:  [ˈsprɛidə(n)]
Vervoegingen:  spreidde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gespreid (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (iets) verdelen (in de tijd of over mensen of een gebied)
Voorbeelden:  `een betaling spreiden in de tijd`,
`de verantwoordelijkheid spreiden over drie bestuurders`,
`De bank wil functies spreiden over Amsterdam en Brussel.`

2) uit elkaar en naar buiten toe bewegen
Voorbeelden:  `je armen spreiden`,
`De vogel spreidde zijn vleugels.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
decentraliseren ontvouwen uitspreiden

4 definities op Encyclo
  1. uitvouwen en plat neerleggen vb: ze spreidt de deken in het gras van elkaar af houden vb: je moet je vingers spreiden, als ik je nagels lak uit elkaar plaatsen en verdele...
  2. zegt men van een geweer, dat den hagel niet goed bij elkander houdt
  3. 1) Decentraliseren 2) Gelijkmatig verdelen 3) Ontvouwen 4) Uiteenplaatsen 5) Uitleggen 6) Uitsmeren 7) Uitspreiden 8) Uitstrooien 9) Uitwrijven 10) Verstrooien 11) Vlak u...
  4. uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op spreiden:
tentoonspreidenverspreiden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
spreiden (plat uitleggen; gelijkmatig verdelen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `spreiden`.