de sok

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [sɔk]
Verbuigingen:  sokken (meerv.)

kledingstuk voor je voet en het onderste deel van je onderbeen
van de sokken rijden  ((iemand) ondersteboven rijden) `Ik ben op mijn fiets van de sokken gereden door een passerende auto.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
kous

Spreekwoorden en zegswijzen
• met de sok op de kop gezet. (=er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen.)
Naar de spreekwoorden

10 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-ken), korte kous. ~ACHTIG, [bijvoegelijk naamwoord] (-er, -st), slordig, flodderig.
  2. kledingstuk voor om je voet vb: Jasper draagt wollen sokken een zijden sok [een weke, slappe man] een oude sok hebben [spaargeld hebben]
  3. 1) 't onderste deel van den achterpoot van een haas of konijn; 2) op de sokken zijn, loopen van haas en konijn
  4. • [kleding] kous die tot net boven de enkel komt.
  5. 1) Aftekening bij een dier 2) Anklet 3) Anklet of kous 4) Balangrijk accessoire 5) Herenkledij 6) Herenkleding 7) Herenkleren 8) Kledingstuk 9) Kledingstuk voor het onder...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met sok:
sokkelsokkelssokkensokophouderssokpop

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. sok (korte kous)
  2. sok (metalen mof ter verbinding van twee buizen)
  3. sok


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `sok`.