de sigaar

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [siˈxar]
Verbuigingen:  sigaren (meerv.)

1) rolletje tabak om te roken
Voorbeelden:  `een sigaar opsteken`,
`sigarenpeuk`

2)
de sigaar zijn  (het slachtoffer zijn) `Daar komt de politie! Nu ben ik de sigaar: ik rijd veel te hard.` Synoniem: de dupe zijn, de pineut zijn, de klos zijn

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bolknak dupe lul pineut

Spreekwoorden en zegswijzen
• een sigaar uit eigen doos presenteren. (=iemand iets aanbieden dat in feite door de ontvanger zelf is betaald.)
• de sigaar zijn (=het slachtoffer zijn)
Naar de spreekwoorden

9 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (...aren), rolletje tabak tot rooken bestemd; eene - opsteken, ze doen branden.
  2. Spreekwoorden: (1914) De sigaar zijn, er bij zijn, zuur zijn, vooral bekend door de operette van H. Bouber, de Jantjes, waarin het couplet:
  3. •in dekblad gerolde tabak. (+audio)
  4. 1) Aar van een lisdodde 2) Bloemaar van lisdodde 3) Bloemstengel van de lisdodde 4) Bolknak 5) Braziliaan 6) Cigarillo 7) Corona 8) Dupe 9) Genotmiddel 10) Grote sigaret ...
  5. Kreidler sigaarAlgemene benaming die wordt gebruikt voor recordmachines, uiteraard afgeleid van de gunstige, langwerpige stroomlijnvorm.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op sigaar:
Karel I-sigaar

Herkomst volgens etymologiebank.nl
sigaar (rol tabak om te roken)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `sigaar` kennen.