schuwen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsxywə(n)]
Vervoegingen:  schuwde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geschuwd (volt.deelw.)

ontwijken uit angst of afkeer
Voorbeeld:  `Ik schuw de markt: zoveel mensen die maar lopen te schuifelen.`
(iets) niet schuwen  (bereid zijn eventueel (iets) te doen of te gebruiken) `We zullen de aanval niet schuwen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
mijden ontlopen ontwijken verhoeden vermijden vermijding

Spreekwoorden en zegswijzen
• de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
Naar de spreekwoorden

3 definities op Encyclo
  • het uit de weg gaan vb: hij schuwt contacten met mensen
  • 1) Mijden 2) Ontlopen 3) Ontwijken 4) Uit angst vermijden 5) Uit de weg gaan 6) Uit vrees mijden 7) Verhoeden 8) Vermijden 9) Vermijding 10) Vrezen
  • bang zijn, vermijden Jaar van herkomst: 1100 (Willeram )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op schuwen:
    verafschuwenwaarschuwen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    schuwen (vermijden; vrezen)