I het schot

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [sxɔt]

1) plank(en) om in een ruimte een kleiner deel af te scheiden
Verbuigingen:  schotten (meerv.)
Voorbeeld:  `tussenschot`

2) keer dat je schiet
Verbuigingen:  schot|en (meerv.)
Voorbeelden:  `pistoolschot`,
`een schot lossen`,
`een schot op het doel`
schot voor de boeg  (poging in het wilde weg)
een schot in de roos  (<dit zeg je als iets heel goed gezegd of gedaan is>)

3)
er zit schot in  ((van een proces) het komt goed op gang) Synoniem: het loopt lekker


IIa de Schot

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [sxɔt]
Verbuigingen:  Schot|ten (meerv.)

IIb de Schot|se

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  ['sxɔt|sə]
Verbuigingen:  Schotse|n (meerv.)

iemand met de Schotse nationaliteit
Voorbeeld:  `de Ieren, Welsh en Schotten worden de moderne Kelten genoemd`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afscheiding beschot beweging geweerschot hagel hok knal schut tussenmuur tussenschot wand

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
schots en scheef zijn/staan (=ongeordend door elkaar heen)
schot en lot betalen (=zijn burgerplicht naar behoren vervullen)
• in het schot vallen (=precies tijdens het startschot vertrekken)
• elk schot is geen eendvogel. (=niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol)
Toon alle 7 spreekwoorden die schot bevatten

16 definities op Encyclo
  1. 1> een wand in een schip. Bij binnenvaartschepen meestal een dwarsscheeps schot. Dwarsscheepse schotten in de romp van het schip, de RUIMSCHOTTEN worden aangeduid met een...
  2. • [n] : het afvuren van een projectiel. • [n] : een afscheidende tussenwand. • [veeteelt] [f] : vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft.
  3. 1. het afvuren van een projectiel; bij mortieren ook worp genoemd 2. de beoogde uitwerking van het enkele schot, bijvoorbeeld bresschot, boorschot, bricolschot, rolschot;...
  4. Beboste hoogte in moerasgebied.
  5. het afvuren van een projectiel; bij mortieren ook worp genoemd; de beoogde uitwerking van het enkele schot, bijvoorbeeld bresschot, boorschot, bricolschot, rolschot; voor...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schot:
schotelschotel voorschotelantenneschotelantennesschoteldeschoteldoekschoteldoekenschotelsschotelveerschotelvoddenschotelwarmersschotenschotenwisselingschotsSchots-GaelischschotschriftschotschriftenSchotseSchottenschotvaardig
Toon alle woorden die beginnen met schot

Deze woorden eindigen op schot:
afstandsschotoverschotNederschotsaluutschotgeweerschotstartschotuitschotvoorschotsterfteoverschotgeboorteoverschotafschotkopschotwalschotbeschot
Toon alle woorden die eindigen op schot

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. schot (afscheiding)
  2. schot (het schieten, belasting)
  3. schot (inwoner van Schotland)
  4. schot (jonge koe)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `schot` kennen.