schillen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsxɪlə(n)]
Vervoegingen:  schilde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geschild (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

de buitenkant van een vrucht of knol verwijderen
Voorbeeld:  `een appel schillen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
doppen jassen pellen

Spreekwoorden en zegswijzen
• het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
• Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
• een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  1. van de schil ontdoen Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
  2. [Vergeten woorden] (zw. -de) scheiden, onderscheiden [in verschillen, = IJslands skilja, ~ schil ‘verschil’, schelen, scheel ‘verschil’, schild, schaal]
  3. • [ov] de schil van een vrucht verwijderen
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik schilde, heb geschild), de schil afnemen [inzonderheid] van vruchten); ontbolsteren (noten,...
  5. ergens het buitenste laagje vanaf halen vb: hij schilde de aardappels met een mesje
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op schillen:
aardappelschillencompetentiegeschillengeschillenpeulenschillenpotentiaalverschillenverschillen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. schillen (van de schil ontdoen)
  2. schillen = schelen (afwijken)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `schillen` kennen.