roddelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈrɔdələ(n)]
Vervoegingen:  roddelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geroddeld (volt.deelw.)

praten over privézaken van afwezige anderen, vooral op een vervelende manier
Voorbeeld:  `Ze hebben hier niks beters te doen dan de hele dag over elkaar roddelen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
babbelen belasteren kletsen kwaadspreken lasteren

Taaladvies
Waar komt het spreekwoord `Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan` vandaan en wat betekent het? Zie Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan

Intensiveringen
Hoe kun je roddelen krachtiger uitdrukken?
roddelen als een oud wijf;

4 definities op Encyclo
  • het rondvertellen van ongunstige verhalen over iemand, waar je geen bewijs voor hebt vb: er wordt in de koffiepauze veel geroddeld over de baas
  • (Uit `De sociologische structuur onzer taal - De Jodentaal.`, 1914) (Jdd.) in de volkstaal der Nederlandsche Joden: kwaadspreken, babbelen, iemand over den hekel halen
  • 1) Achterklappen 2) Afgeven 3) Babbelen 4) Beklappen 5) Belasteren 6) Commeren 7) Klappeien 8) Klappen 9) Kleppen 10) Kletsen 11) Konkelen 12) Konkelfoezen 13) Kwaadsprek...
  • kwaadspreken Jaar van herkomst: 1865-1870 (WNT )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op roddelen:
    broddelen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    roddelen (kwaadspreken)