de noemer

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['numər]
Verbuigingen:  noemer|s (meerv.)

getal onder de streep van een breuk (2)
Voorbeeld:  `In de breuk 3/4 is de noemer vier.`
Antoniem:  teller

© Kernerman Dictionaries.

7 definities op Encyclo
  1. onderste getal in een breuk Jaar van herkomst: 1508 (Kool )
  2. getal in een breuk onder de breukstreep vb: de noemer van twee derde is de drie alles onder één noemer brengen [er één groep van maken]
  3. • [wiskunde] het getal onder de streep van een breuk.
  4. 1) Aandoener 2) Aanduider in een breukgetal 3) Breukgetal 4) Cijfer in een breukgetal 5) Deel van een breuk 6) Deel van een rekenkundige bewerking 7) Deeltal 8) Deler 9) ...
  5. [Wiskunde] de noemer duidt aan in hoeveel gelijke delen je een geheel verdeelt
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met noemer:
noemers

Herkomst volgens etymologiebank.nl
noemer (onderste getal in een breuk)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `noemer` kennen.