kruipen

werkw.
Uitspraak:  [ˈkrœypə(n)]
Vervoegingen:  kroop (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft, is gekropen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (van mensen) je op je handen en knieën voortbewegen
Voorbeelden:  `in bed kruipen`,
`door een gat kruipen`

2) (van planten en dieren) over de grond lopen of groeien
Voorbeeld:  `het kruipend gedierte`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
flatteren flikflooien klauteren krioelen onderdanig zijn sluipen stroop om de mond smeren vleien vlemen wemelen

Spreekwoorden en zegswijzen
• voor iemand kruipen (=van iemand schrik hebben , slaafs alles doen wat hij vraagt)
• onder de wol kruipen (=naar bed gaan)
• in zijn schulp kruipen (=zich in zichzelf terugtrekken, niet verder aandringen)
• In iemands huid kruipen (=zich in een ander verplaatsen)
• door het oog van de naald kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
Toon alle 6 spreekwoorden die kruipen bevatten

9 definities op Encyclo
  1. je als mens op handen en voeten verplaatsen vb: het kind kruipt naar de bank bij elkaar kruipen [gezellig bij elkaar gaan zitten] ze kruipt voor hem [ze doet precies wat ...
  2. De neiging van pagina`s in het midden van een katern om naar buiten te kruipen (trapsgewijs naar buiten te steken).
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [ongelijkvloeiend] (ik kroop, heb gekropen), zich langzaam op (of langs) den grond voortbewegen, op handen en voeten -, op de knie