koet als dialectwoord
Snotje (Neerbeeks)   Snot (Ubachsbergs)   Gat (Jeisters)   Snot (limburgs)   Snot (Berg en Terblijts)   gat (Neerpelts)  
Toon alle 34 dialectwoorden

Spreekwoorden en zegswijzen
• uit de koets vallen (=ontnuchterd worden)
• uit de koets stappen (=overlijden)
• twee koetsiers op één dak. (=beter is er maar één baas)
• over koetjes en kalfjes praten (=over allerlei onbelangrijke dingen praten)
• je koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
Toon alle 6 spreekwoorden die koet bevatten

5 definities op Encyclo
  • 1) Vogel 2) Zwemvogel 3) Kraanvogelachtige 4) Steltvogel 5) Meerkol 6) Watervogel 7) Ralvogel 8) Lafaard
  • ralvogel
  • ralvogel Jaar van herkomst: 1377-1378 (MNW )
  • zwarte watervogel met een witte snavel en wit voorhoofdsschild die voorkomt in Europa, waaronder Nederland en België, Noord-Afrika, Azië en Australië, waar hij leeft in en op het water van sloten, grachten, vijvers en meren waar hij een nest bouwt van riet, waterplanten en drijvend afval; meerkoet Wordt so...
  • zwemvogel Fulica atra (toon de herkomst via de etymologiebank)
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met koet:
koeterwaalskoetskoetshuiskoetsierkoetsiersjaskoetswerk

Deze woorden eindigen op koet:
meerkoet

Herkomst volgens etymologiebank.nl
koet (zwemvogel Fulica atra)

Op andere websites
Zoek koet in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek koet op Google
Zoek koet op Woordenlijst.org
Zoek koet in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek koet op Wikipedia