kibbelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈkɪbələ(n)]
Vervoegingen:  kibbelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gekibbeld (volt.deelw.)

ruzie maken over iets onbenulligs
Voorbeeld:  `De kinderen kibbelen over wie de bal mag hebben.`
Synoniemen:  bakkeleien, kissebissen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bakkeleien bekvechten kiften kissebissen

3 definities op Encyclo
  • •woordenstrijd hebben. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  • ruzie maken Jaar van herkomst: 1477 (Teuth. )
  • 1) Bakkeleien 2) Bekvechten 3) Disputeren 4) Hakketakken 5) Hakketeren 6) Haktakken 7) Harrewarren 8) Hassebassen 9) Hassebrassen 10) Kiften 11) Kijven 12) Kissebissen 13...
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    kibbelen (redetwisten)