kennen

werkw.
Uitspraak:  [ˈkɛnə(n)]
Vervoegingen:  kende (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gekend (volt.deelw.)

1) kennis (1) hebben van iets of iemand
Voorbeeld:  `Ik heb wel over hem gehoord, maar ik ken hem niet.`
Synoniemen:  bekend zijn met, vertrouwd zijn met
leren kennen  (kennismaken met) `Ze lijkt me interessant. Ik wil haar wel leren kennen.` Synoniem: ontmoeten
leren kennen  (ervaren hoe iets of iemand is) `Door al onze vakanties hebben we dat gebied goed leren kennen.`
te kennen geven  (duidelijk maken) `Ik gaf te kennen dat ik wilde omkeren.`
je niet laten kennen  (het niet opgeven) `Mislukt! Maar ik laat me niet kennen en probeer het nog een keer.`
je laten kennen  (iets doen dat toont hoe je op dat moment bent) `Hij heeft zichzelf laten kennen door terug te schelden.`

2) (iets) weten doordat je het geleerd hebt
Voorbeeld:  `Ik heb de stukken goed bestudeerd en ken de zaak nu goed.`
van buiten/uit je hoofd kennen  (zo goed kennen dat je (iets) uit je geheugen kunt zeggen) `Ik ken zijn telefoonnummer uit mijn hoofd.` Synoniem:

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beheersen ken

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)
• zich niet laten kennen (=net niet te vlug opgeven)
• zich laten kennen (=het (al te vroeg) opgeven)
• te kennen geven (=laten verstaan)
• op zijn duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
Toon alle 14 spreekwoorden die kennen bevatten

Taaladvies
  1. Is het Ik ken hem niet uitstaan of Ik kan hem niet uitstaan? Zie Kennen / kunnen
  2. (ik kan / ken Engels) Is het Ik kan Engels of Ik ken Engels? Zie Kunnen / kennen
  3. Is de combinatie succes kennen correct? Zie Succes kennen


Intensiveringen
Hoe kun je kennen krachtiger uitdrukken?
door en door kennen; kennen als je broekzak; op je duimpje kennen; van haver tot gort kennen; van nabij kennen;

6 definities op Encyclo
  • bekennen, verklaren
  • weten omdat je het geleerd hebt vb: ik ken alle steden van Nederland uit mijn hoofd het van buiten kennen [uit het hoofd op kunnen noemen]
  • • [ov] bekend, vertrouwd zijn met. • [ov] door studie of oefening geleerd hebben. •"het wel moeten ~": vaak ergens door getroffen worden
  • [Vergeten woorden] (zw. -de) verwekken, voortbrengen, doen ontstaan, gewinnen [? kennen ‘bekend zijn met’, ~ kinnen ‘geboren worden’]
  • weten Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op kennen:
    bekennenerkennenherkennenmiskennenonderkennenontkennentoekennenverkennen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    kennen (ergens mee bekend zijn, weten hoe iets is)