| Uitspraak: | [ˈjarəx] |
| Afbreekpatroon: | ja·rig |
| Voorbeelden: | `Ik ben morgen jarig.`, `Mijn zus en ik schelen twee jaar, maar we zijn precies op dezelfde dag jarig: 30 augustus.` | |
| nog niet jarig zijn | (problemen krijgen) `Als je moeder erachter komt dat je gelogen hebt, dan ben je nog niet jarig.` |
