de hospes

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  hospites<br>hospessen
Verbuigingen:  hospesje

een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
Voorbeeld:  `Het lijkt wel alsof er veel minder hospites dan hospita's zijn.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
huisbaas huisheer huurbaas kamerverhuur kamerverhuurder

9 definities op Encyclo
  1. gastheer, later ook herbergier of waard
  2. Let op: Spelling van 1858 Lat., waard, gastheer; ook gast. Hospita, waardin. Hospitaal, gasthuis, ziekenhuis. Hospitaliteit, hospitalité, Fr., gastvrijheid, herbergzaamh...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. waard, huisheer.
  4. •een persoon van het mannelijk geslacht die een of meer kamers in zijn of haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal.
  5. 1) Beroep 2) Dier 3) Gastheer 4) Huisbaas 5) Huisploert 6) Huurbaas 7) Kamerverhuur 8) Kamerverhuurder 9) Kostbaas 10) Waard
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met hospes:
hospessen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
hospes (persoon bij wie men op kamers woont)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 62% van de Nederlanders en 34% van de Vlamingen het woord `hospes`.