| Uitspraak: | [ˈhɑpə(n)] |
| Afbreekpatroon: | hap·pen |
| Vervoegingen: | hapte (verl.tijd enkelv.) |
| Vervoegingen: | heeft gehapt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen |
| naar adem happen | (het benauwd hebben) |
| koekhappen | (als spel met een blinddoek voor proberen stukjes ontbijtkoek te happen) |
| Voorbeeld: | `Als zij grappen maken, heb ik dat nooit direct in de gaten. Ik hap dus altijd.` |
| Zie ook: | hap |
