I de haar

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [har]
Verbuigingen:  haren (meerv.)

elk van de dunne buigzame sliertjes die uit je lichaam groeien, vooral op je hoofd
Voorbeeld:  `je haren wassen`
op een haar na  (net niet) `De auto heeft me op een haar na geraakt.`
het scheelde maar een haar of...  (het was bijna gebeurd dat...)
Ben je een haartje betoeterd!  (ben je gek geworden)
elkaar in de haren vliegen  (ruzie maken)


II het haar

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [har]

al je haren samen, of alleen je hoofdhaar
Voorbeelden:  `haar op je benen hebben`,
`kort blond haar hebben`,
`je haar kammen`
haar op je tanden hebben  (snel en een beetje agressief reageren)


III haar

pronoun
Uitspraak:  [har]

1) <je gebruikt dit woord als je over een vrouw praat>
Voorbeeld:  `Als je Marie nog ziet, doe haar dan de groeten.`

2) <je gebruikt dit woord als iets van een vrouw is of bij haar hoort>
Voorbeeld:  `Alice is alleen thuis, want haar man is op reis.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bos haar fractie haarbosje hoofdhaar pels

Spreekwoorden en zegswijzen
• zij is niet op haar mondje gevallen. (=zij is goed in staat om zich met woorden te verdedigen. Zij praat veel.)
• van hot naar haar (=heen en weer)
• met huid en haar (=geheel en al)
• met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
• men kan geen kaalkop bij het haar vatten (=bij de arme valt niets te rapen)
Toon alle 17 spreekwoorden die haar bevatten

Taaladvies
  1. Haar / hen: (vrouwelijk meervoud) Soms wordt voor haar gebruikt, waarbij haar verwijst naar meerdere vrouwen. Moet dat niet zijn voor hen?
  2. Ze / haar: (verwijzing naar personen) Wat moet het zijn: Ik heb haar gezien of Ik heb ze gezien?
  3. Zijn / haar: (Venetië en - gondels) Met welk bezittelijk voornaamwoord verwijs je naar steden of plaatsen? Is het Venetië en haar gondels of Venetië en zijn gondels?


Intensiveringen
Hoe kun je met haar een ander begrip versterken?
met huid en haar verslinden; haarfijn; haarscherp; haarzuiver; spijt als haren op je hoofd; haren uit het hoofd rukken van spijt; haren op een hond;

18 definities op Encyclo
  1. Hoge beboste zandgrond, vaak temidden van lagere gronden.
  2. Loshangend haar: in Egypte alleen getolereerd als teken van rouw. Bij danseressen etc. erotisch uitdrukkingsmiddel. Haar van Berenice.
  3. De vezelachtige uitgroeiïngen op de huid van allerlei dieren, die bestaan uit het eiwit keratine en onder andere worden gebruikt voor het maken van stoffen, als opvu...
  4. mengsel van koehaar, papier en teer, gebruikt als vulling tussen de buiten- en binnenhuid van een schip.
  5. Hoge beboste zandgrond (rug), vaak temidden van lagere gronden (b.v. Haarlem). Zie ook -schot.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met haar:
haarbalhaarbandhaarbandenhaarborstelhaardhaardenhaardhaalhaardoshaardrachthaardrogerhaardrogershaardvuurhaarfijnhaarföhnshaargroeihaarkleurhaarkloofhaarkloofdehaarkloofdenhaarklooft
Toon alle woorden die beginnen met haar

Deze woorden eindigen op haar:
borsthaarengelenhaarkroeshaarkroezelhaarmelkboerenhondenhaarlegerschaarheerschaarhoofdhaarbetonschaarboomschaarpiekhaarplukhaarbrandhaarvierschaarneushaarschaamhaarschaarsnorhaarwildschaarpizzaschaar
Toon alle woorden die eindigen op haar

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. haar (draadvormige huidbedekking)
  2. haar (droog, schraal)
  3. haar (hoogte in het veld)
  4. haar (links opdracht aan trekpaarden)
  5. haar (snede van zeis)
  6. haar (voornaamwoord)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `haar` kennen.