griezelen

werkw.
Uitspraak:  ['xrizələ(n)]
Vervoegingen:  griezelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gegriezeld (volt.deelw.)

rillingen hebben van angst of afkeer
Voorbeeld:  `lekker griezelen in de achtbaan`
griezelen van ...  (... erg eng vinden) `griezelen van grote spinnen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gruwelen gruwen huiveren

Taaladvies
Wat is juist: unheimlich of unheimisch? Zie Unheimlich / unheimisch

3 definities op Encyclo
  • rillen van angst of afkeer vb: Wanda griezelde bij het zien van die beelden
  • 1) Akelig vinden 2) Gruwelen 3) Gruwen 4) Huiveren 5) IJzen 6) Rillen
  • ijzen Jaar van herkomst: 1434-1436 (HWS )
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    griezelen (huiveren)