griezelen

werkw.
Uitspraak:  ['xrizələ(n)]
Afbreekpatroon:  grie·ze·len
Vervoegingen:  griezelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gegriezeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

rillingen hebben van angst of afkeer
Voorbeeld:  `lekker griezelen in de achtbaan`
griezelen van ...  (... erg eng vinden) `griezelen van grote spinnen`

Zie ook:  griezel


Synoniemen
gruwelen   gruwen   huiveren   

4 definities op Encyclo
  • rillen van angst of afkeer vb: Wanda griezelde bij het zien van die beelden
  • 1) Akelig vinden 2) Rillen 3) Huiveren 4) Gruwelen 5) Gruwen 6) IJzen
  • huiveren, rillen, ijzen
  • ijzen Jaar van herkomst: 1434-1436 (HWS )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
griezelen (huiveren)

Taaladvies
Wat is juist: unheimlich of unheimisch? Zie Unheimlich / unheimisch

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van griezelen?
De verleden tijd van griezelen is 'griezelde'. Het voltooid deelwoord is 'heeft gegriezeld'.
Wat betekent griezelen?
'rillingen hebben van angst of afkeer'
Hoe spel je griezelen?
griezelen spel je G R I E Z E L E N
Wat is een ander woord voor griezelen?
Andere woorden voor griezelen zijn gruwelen, gruwen en huiveren.

Op andere websites
Zoek griezelen op Woordenlijst.org
Zoek griezelen op Google
Zoek griezelen op Wikipedia